ECLI:NL:RVS:2017:1357

Raad van State

Datum uitspraak
24 mei 2017
Publicatiedatum
24 mei 2017
Zaaknummer
201600725/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:2 AwbWet openbaarheid van bestuur
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing Wob-verzoek na schending hoorplicht betwist

Bij besluit van 3 april 2015 wees de staatssecretaris een Wob-verzoek van appellant af om documenten over de dienstverlening van de publieksbalies van de Belastingdienst.

Appellant maakte bezwaar, dat op 26 augustus 2015 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze beslissing eveneens ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat de hoorplicht ex artikel 7:2 Awb Pro was geschonden omdat hij de hoorzitting voortijdig had verlaten wegens een probleem met zijn fietsstalling.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de staatssecretaris voldoende had gedaan om appellant te horen, waaronder het uitstellen van de hoorzitting met vijftien minuten. Het betoog van appellant faalde omdat hij niet aannemelijk had gemaakt dat deze tijd onvoldoende was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

201600725/1/A3.
Datum uitspraak: 24 mei 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 december 2015 in zaak nr. 15/4347 in het geding tussen:
[appellant]
en
de staatssecretaris van Financiën.
Procesverloop
Bij besluit van 3 april 2015 heeft de staatssecretaris een verzoek van [appellant] om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) afgewezen.
Bij besluit van 26 augustus 2015 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 14 december 2015 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 april 2017, waar [appellant] en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. M.A.G. Stolker, mr. W.J.G. van Duijn en mr. J. de Groot, zijn verschenen.
Overwegingen
1.    Bij brief van 24 maart 2015 heeft [appellant] de staatssecretaris op grond van de Wob verzocht hem alle documenten over de dienstverlening van de publieksbalies van de Belastingdienst te verstrekken. Bij het besluit van 3 april 2015 heeft de staatssecretaris dit verzoek afgewezen. Bij het besluit van 26 augustus 2015 heeft de staatssecretaris het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte zijn beroep ongegrond heeft verklaard. Volgens hem heeft de staatssecretaris de in artikel 7:2 van Pro de Awb neergelegde hoorplicht geschonden en had de rechtbank de staatssecretaris daarom moeten opdragen een nieuw besluit te nemen.
2.1.    Artikel 7:2, eerste lid, van de Awb luidt: "Voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, stelt het belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord."
Het tweede lid luidt: "Het bestuursorgaan stelt daarvan in ieder geval de indiener van het bezwaarschrift op de hoogte alsmede de belanghebbenden die bij de voorbereiding van het besluit hun zienswijze naar voren hebben gebracht."
2.2.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de staatssecretaris de hoorplicht niet geschonden. [appellant] is uitgenodigd voor een hoorzitting op 3 augustus 2015. [appellant] is die dag op het Ministerie van Financiën verschenen, maar heeft de zaal waar de hoorzitting zou plaatsvinden voor aanvang van de hoorzitting verlaten in verband met de omstandigheid dat zijn fiets was gestald op een plaats waar dat niet was toegestaan en is niet meer teruggekeerd. De staatssecretaris heeft onweersproken gesteld dat de voorzitter van de hoorcommissie de aanvang van de hoorzitting ten minste vijftien minuten heeft uitgesteld, zodat [appellant] zijn fiets kon verplaatsen. De Afdeling acht niet aannemelijk dat, zoals [appellant] ter zitting van de Afdeling heeft gesteld, die tijd daarvoor onvoldoende was.
Het betoog faalt.
3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. F.D. van Heijningen, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, griffier.
w.g. Borman    w.g. Hartsuiker
voorzitter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2017
620.