ECLI:NL:RVS:2017:1254
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- G. van der Wiel
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vernietiging en terugwijzing inreisverbod vreemdeling wegens onvoldoende belangenafweging
De vreemdeling, afkomstig uit Afghanistan, had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die door de staatssecretaris werd afgewezen en waarbij een inreisverbod werd uitgevaardigd. De rechtbank had dit besluit vernietigd en de staatssecretaris opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van haar overwegingen.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en voerde aan dat de rechtbank ten onrechte oordeelde dat niet alle belangen waren betrokken bij de beoordeling van het inreisverbod, met name de belangen van de echtgenote van de vreemdeling en de gevolgen voor het gezinsleven. Tevens stelde de staatssecretaris dat de vreemdeling niet aanvullend gehoord hoefde te worden over zijn atheïsme en de daarmee samenhangende vrees om als afvallige in Afghanistan problemen te krijgen.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank inderdaad ten onrechte had geoordeeld dat niet alle belangen waren betrokken en dat de vreemdeling terecht niet aanvullend is gehoord over zijn atheïsme. Het hoger beroep van de staatssecretaris werd gegrond verklaard, het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van de vreemdeling ongegrond, en de uitspraak van de rechtbank vernietigd. De zaak werd terugverwezen naar de rechtbank voor een nieuwe beoordeling met inachtneming van de overwegingen omtrent artikel 8 EVRM Pro.
Daarnaast stelde de Afdeling de proceskosten in hoger beroep vast op €495,00 en bepaalde dat de rechtbank over de vergoeding van deze kosten beslist.
Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor een nieuwe belangenafweging met inachtneming van artikel 8 EVRM.