ECLI:NL:RVS:2017:1162

Raad van State

Datum uitspraak
25 april 2017
Publicatiedatum
26 april 2017
Zaaknummer
201608773/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • E. Steendijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 16 DublinverordeningArt. 17 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank over niet-behandeling asielaanvragen op grond van Dublinverordening

De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie nam op 25 oktober 2016 besluiten om de asielaanvragen van twee vreemdelingen niet in behandeling te nemen. De vreemdelingen voerden aan dat de staatssecretaris ten onrechte geen toepassing gaf aan artikel 16 en Pro 17 van de Dublinverordening, omdat zij familieleden in Nederland hebben die afhankelijk zijn van hun hulp.

De rechtbank verklaarde de beroepen van de vreemdelingen gegrond, vernietigde de besluiten en beval nieuwe besluitvorming. De staatssecretaris ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling oordeelde dat de staatssecretaris zich redelijkerwijs op het standpunt kon stellen dat de medische stukken onvoldoende aantonen dat de familieleden afhankelijk zijn van de vreemdelingen en dat er geen bijzondere individuele omstandigheden zijn die toepassing van de genoemde artikelen rechtvaardigen.

Daarom verklaarde de Afdeling het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde de beroepen van de vreemdelingen ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De beroepen van de vreemdelingen worden ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd.

Uitspraak

201608773/1/V3.
Datum uitspraak: 25 april 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 18 november 2016 in zaken nrs. 16/24235 en 16/24231 in het geding tussen:
[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij onderscheiden besluiten van 25 oktober 2016 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, de aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 18 november 2016 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, de besluiten van 25 oktober 2016 vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. H. Postma, advocaat te Groningen, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    De in het hogerberoepschrift opgeworpen vragen heeft de Afdeling bij de uitspraken van 18 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:74 en ECLI:NL:RVS:2017:75, beantwoord. De daarin gegeven overwegingen zijn ook in deze zaak van toepassing. Hieruit volgt dat het hoger beroep kennelijk gegrond is. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd.
2.    Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de besluiten toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.
2.1.    In beroep hebben de vreemdelingen geklaagd dat de staatssecretaris ten onrechte de behandeling van hun aanvragen niet krachtens artikel 16, dan wel artikel 17, van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (PbEU 2013 L180; hierna: de Dublinverordening) aan zich heeft getrokken. Zij hebben in het kader van genoemd artikel 16 aangevoerd Pro dat hun in Nederland verblijvende dochter, respectievelijk zus, ernstig ziek is en van hen afhankelijk. In het kader van artikel 17 van Pro de Dublinverordening hebben zij aangevoerd dat in Nederland familieleden wonen en in Duitsland niet en dat zij al acht maanden in Nederland verblijven.
2.2.    Bij de besluiten van 25 oktober 2016 heeft de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat hij voor toepassing van artikel 16, noch artikel 17 van Pro de Dublinverordening aanleiding heeft hoeven zien, nu uit de door de vreemdelingen overgelegde medische documenten niet blijkt niet dat de genoemde dochter, respectievelijk zus, afhankelijk is van de hulp van de vreemdelingen en hetgeen de vreemdelingen overigens hebben aangevoerd geen bijzondere, individuele omstandigheden betreffen.
3.    De beroepen zijn ongegrond.
4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 18 november 2016 in zaken nrs. 16/24235 en 16/24231;
III.    verklaart de door de vreemdelingen bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroepen ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.
w.g. Steendijk    w.g. Van Meurs-Heuvel
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2017
47.