ECLI:NL:RVS:2017:1157
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- D.J.C. van den Broek
- Rechtspraak.nl
Vernietiging bestemmingsplan vanwege onvoldoende motivering bescherming boomteeltgebied
De raad van de gemeente Zundert stelde op 12 april 2016 het bestemmingsplan 'Afronding ’t Steeke en Omgeving' vast, waarin onder meer de bouw van vijf woningen werd voorzien, waaronder twee Ruimte-voor-Ruimte woningen nabij gronden van appellanten met agrarische bestemming. Appellanten voerden aan dat deze woningen een belemmering vormen voor het Boomteeltontwikkelingsgebied (BOG) en hun ontwikkelingsmogelijkheden, met name vanwege onvoldoende afstand en het ontbreken van afdwingbare maatregelen zoals een windhaag.
De raad stelde dat het agrarisch bedrijf op het aangrenzende perceel was beëindigd en dat een boomkwekerij slechts via een wijzigingsbevoegdheid mogelijk is. Uit onderzoek bleek dat bij een spuitvrije zone van 5 meter en een windhaag een afstand van minder dan 10 meter acceptabel is. De raad meende dat de aanleg van een windhaag voldoende was gewaarborgd via de bestemming 'Natuur' en planregels.
De Afdeling oordeelde dat niet vaststaat of de sloot tussen de percelen watervoerend is, zodat niet duidelijk is of een teeltvrije zone wettelijk verplicht is. Bovendien bevat de bestemming 'Natuur' geen voorwaardelijke verplichting tot aanleg en instandhouding van de hagen, en is de overeenkomst met de initiatiefnemer niet publiekrechtelijk afdwingbaar. De raad heeft onvoldoende onderbouwd dat het woon- en leefklimaat niet ernstig wordt aangetast en dat appellanten niet onevenredig worden beperkt in hun gebruiksmogelijkheden.
Daarom is het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan voor het meest oostelijk gelegen plandeel met bestemming 'Wonen - 2' en het daarbij horende plandeel met bestemming 'Tuin' vernietigd. De raad is opgedragen dit onderdeel binnen vier weken te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan. Het griffierecht wordt aan appellanten vergoed.
Uitkomst: Het bestemmingsplan is vernietigd voor het meest oostelijk gelegen plandeel vanwege onvoldoende motivering van de bescherming tegen overlast door gewasbeschermingsmiddelen.