ECLI:NL:RVS:2017:1121
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- D.A.C. Slump
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag urgentieverklaring wegens verwijtbaar handelen en woonduurcriteria
Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, welke op 28 juni 2016 werd afgewezen. Het bezwaar tegen deze afwijzing werd op 22 december 2016 eveneens ongegrond verklaard. De rechtbank Amsterdam bevestigde dit oordeel op 13 februari 2017, waarna verzoekster hoger beroep instelde en tevens een voorlopige voorziening verzocht.
De voorzieningenrechter overwoog dat het college terecht de aanvraag heeft afgewezen op grond van artikel 2.6.5, eerste lid, aanhef en onder e, van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2016, omdat het huisvestingsprobleem is ontstaan door verwijtbaar doen of nalaten van verzoekster. Tevens is niet voldaan aan de woonduurvereiste van minimaal twee jaar onafgebroken verblijf in Amsterdam zoals bedoeld in artikel 2.6.5, eerste lid, onder i.
Hoewel verzoekster betoogde dat het verblijf in het hostel als maatschappelijke opvang moet worden gekwalificeerd en dat zij op grond van artikel 2.6.7 recht zou hebben op urgentie, kon het college dit niet voldoende onderbouwen. De voorzieningenrechter zag geen aanleiding om het besluit van het college op voorhand te vernietigen en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. De hardheidsclausule werd niet toegepast omdat de situatie niet als schrijnend werd beoordeeld.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de urgentieverklaring wordt afgewezen.