ECLI:NL:RVS:2017:1119

Raad van State

Datum uitspraak
21 april 2017
Publicatiedatum
24 april 2017
Zaaknummer
201606252/1/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. Troostwijk
  • J.J. van Eck
  • J.Th. Drop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, Vw 2000Art. 85, eerste en tweede lid, Vw 2000Art. 91, tweede lid, Vw 2000
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank en ongegrondverklaring beroep vreemdeling inzake intrekking verblijfsvergunning asiel

De staatssecretaris heeft bij besluit van 16 december 2015 de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van de vreemdeling ingetrokken en diens aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd afgewezen. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die het beroep gegrond verklaarde, het besluit vernietigde en de staatssecretaris opdroeg een nieuw besluit te nemen.

Zowel de staatssecretaris als de vreemdeling gingen tegen deze uitspraak in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelt dat het hoger beroep van de vreemdeling kennelijk ongegrond is en dat het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond is. De rechtbank had ten onrechte geoordeeld dat de staatssecretaris ondeugdelijk had gemotiveerd dat er in Benghazi geen uitzonderlijke situatie is die bescherming biedt volgens artikel 29 van Pro de Vreemdelingenwet 2000.

De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De Afdeling baseert zich op eerdere uitspraken waarin de veiligheidssituatie in Libië is beoordeeld en concludeert dat de stukken geen ander beeld geven dan reeds eerder is vastgesteld.

Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen het intrekkingsbesluit van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.

Uitspraak

201606252/1/V2.
Datum uitspraak: 21 april 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:
1.    [de vreemdeling],
2.    de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 10 augustus 2016 in zaak nr. 15/22305 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 16 december 2015 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken, alsmede een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd te verlenen, opnieuw afgewezen.
Bij uitspraak van 10 augustus 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.
Tegen deze uitspraak hebben de staatssecretaris en de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S.E.B. den Boer, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
In het hoger beroep van de vreemdeling
1.    Hetgeen in het hogerberoepschrift is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.
2.    Het hoger beroep is kennelijk ongegrond.
In het hoger beroep van de staatssecretaris
3.    Anders dan de vreemdeling in zijn schriftelijke uiteenzetting aanvoert, is het hoger beroep van de staatssecretaris ontvankelijk nu in de aan de Afdeling overgelegde algemene machtiging van de staatssecretaris is vermeld dat de persoon die het hogerberoepschrift heeft ingediend senior procesvertegenwoordiger is en uit hoofde van zijn functie gemachtigd is tot het instellen van hoger beroep.
Het betoog van de vreemdeling faalt.
4.    De staatssecretaris klaagt in de enige grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat zich in Libië, in het bijzonder in Benghazi, niet een uitzonderlijke situatie voordoet waartegen artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vw 2000 bescherming biedt.
4.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 20 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2124) betekent louter de omstandigheid dat de ons omringende landen de algemene veiligheidssituatie in Libië verschillend beoordelen, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet dat de staatssecretaris ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat voormelde uitzonderlijke situatie zich niet voordoet.
De grief slaagt.
5.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond.
Conclusie
6.    De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Nu de door de vreemdeling ingeroepen stukken, voor zover die niet reeds zijn beoordeeld in de uitspraken van de Afdeling van 20 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2123 en ECLI:NL:RVS:2016:2124, geen ander beeld geven van de veiligheidssituatie in Benghazi, zal de Afdeling, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 16 december 2015 alsnog ongegrond verklaren.
7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond;
II.    verklaart het hoger beroep van de vreemdeling ongegrond;
III.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 10 augustus 2016 in zaak nr. 15/22305;
IV.    verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. J.J. van Eck en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.R. Fernandez, griffier.
w.g. Troostwijk    w.g. Fernandez
voorzitter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2017
753.