ECLI:NL:RVS:2016:954
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- A.B.M. Hent
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wegens ontbreken geldige machtiging tot voorlopig verblijf
De vreemdeling diende op 17 december 2013 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van het driejarenbeleid. De staatssecretaris wees deze aanvraag op 16 april 2014 af omdat de vreemdeling niet beschikte over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en niet in aanmerking kwam voor vrijstelling daarvan. Het bezwaar van de vreemdeling werd bij besluit van 30 december 2014 ongegrond verklaard en de rechtbank verklaarde het beroep op 18 juni 2015 eveneens ongegrond.
De vreemdeling stelde in hoger beroep dat hij zich op de standstill-bepaling van het Aanvullend Protocol tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije kon beroepen. Hij voerde aan dat tussen 1994 en 2001 een beslispraktijk bestond waarbij ook thuiswonende meerderjarige kinderen van de hoofdpersoon een verblijfsvergunning werd verleend, en dat het niet toepassen hiervan nu een verboden nieuwe beperking vormt.
De staatssecretaris betwistte het bestaan van deze beslispraktijk en stelde dat de vreemdeling geen bewijs had geleverd. De Afdeling oordeelde dat uit de aangehaalde regelingen niet kan worden afgeleid dat de beslispraktijk bestond en dat de vreemdeling geen begin van bewijs had geleverd. Daarom faalt het beroep op de standstill-bepaling. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd met verbetering van de gronden.
Uitkomst: Het hoger beroep is kennelijk ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt bevestigd.