ECLI:NL:RVS:2016:886

Raad van State

Datum uitspraak
21 maart 2016
Publicatiedatum
30 maart 2016
Zaaknummer
201601202/4/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 3.1, tweede lid, aanhef en onder c, Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen beëindiging rechtmatig verblijf vreemdeling

Bij besluit van 28 januari 2015 wees de staatssecretaris een aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, waarbij de staatssecretaris werd opgedragen een nieuw besluit te nemen. Zowel de staatssecretaris als de vreemdeling stelden hoger beroep in tegen deze uitspraak.

De vreemdeling verzocht vervolgens de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen om te voorkomen dat hij zou worden uitgezet gedurende de behandeling van het hoger beroep. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek op 21 maart 2016 afgewezen, mede gelet op eerdere overwegingen dat niet valt uit te sluiten dat de uitspraak van de rechtbank niet in stand zal blijven.

De staatssecretaris beëindigde op dezelfde dag het rechtmatig verblijf van de vreemdeling, waardoor uitzetting mogelijk werd. De voorzieningenrechter vond echter geen grond om aan te nemen dat de verblijfsvergunning niet geweigerd had mogen worden en wees het verzoek af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen, waardoor de vreemdeling kan worden uitgezet.

Uitspraak

201601202/4/V2.
Datum uitspraak: 21 maart 2016 AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van die wet, hangende de hoger beroepen van onder meer: [de vreemdeling],
verzoeker, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 19 januari 2016 in zaak nr. 15/3802 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Bij besluit van 28 januari 2015 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Bij uitspraak van 19 januari 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Tegen deze uitspraak hebben de staatssecretaris en de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Voorts heeft de vreemdeling de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De griffier van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, heeft tevens een verzoek ter behandeling aan de voorzieningenrechter doorgezonden. Vervolgens is het onderzoek gesloten. Bij mondelinge uitspraak van 21 maart 2016 heeft de voorzieningenrechter het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen. Op 21 maart 2016 om 11.34 uur heeft de staatssecretaris bij besluit, genomen krachtens artikel 3.1, tweede lid, aanhef en onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000, het rechtmatig verblijf van de vreemdeling beëindigd, als gevolg waarvan de vreemdeling volgens de staatssecretaris kan worden uitgezet. Het verzoek, aangevuld met het door de griffier van de rechtbank doorgezonden verzoek, is erop gericht te voorkomen dat de vreemdeling, hangende de behandeling van de ingestelde hoger beroepen, wordt uitgezet. Bij uitspraak van 1 maart 2016 in zaak nr. 201601202/2/V2 (ter voorlichting aan partijen aangehecht), heeft de Afdeling overwogen dat, gelet op hetgeen de staatssecretaris in zijn hogerberoepschrift heeft aangevoerd, niet valt uit te sluiten dat de aangevallen uitspraak niet in stand zal blijven. Er is thans, gelet op hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd, evenmin grond om aan te nemen dat de aangevallen uitspraak niet in stand zal blijven, althans dat uiteindelijk zal blijken dat de gevraagde verblijfsvergunning niet geweigerd had mogen worden. Het verzoek, aangevuld met het door de griffier van de rechtbank doorgezonden verzoek, moet daarom worden afgewezen.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. w.g. Van Eck w.g. Van Loon
griffier voorzieningenrechter 284-802.