ECLI:NL:RVS:2016:865
Raad van State
- Hoger beroep
- C.J. Borman
- B.P. Vermeulen
- G.T.J.M. Jurgens
- Rechtspraak.nl
Huurtoeslag 2012: onrechtmatige inkomensverrekening medebewoner na vertrek
De zaak betreft het hoger beroep van een appellant tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant inzake de definitieve vaststelling van de huurtoeslag over 2012 en de terugvordering van teveel betaalde voorschotten. De Belastingdienst/Toeslagen had het inkomen van de zoon van appellant, die tot 20 juli 2012 bij haar woonde en daarna naar België verhuisde, volledig meegenomen bij het bepalen van het toetsingsinkomen, ook over de periode na zijn vertrek.
Appellant stelde dat dit onterecht was omdat haar zoon pas na vertrek inkomen is gaan genieten, waardoor zij geen profijt had van dat inkomen tijdens het medebewonerschap. Zij voerde aan dat dit onderscheid in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 26 IVBPR Pro. De rechtbank had het standpunt van de Belastingdienst gevolgd, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde anders.
De Afdeling stelde vast dat de situatie van appellant voldoende vergelijkbaar is met een situatie waarin een medebewoner het hele jaar geen inkomen geniet, en dat het onderscheid in behandeling en het nadeel voor appellant onrechtvaardig is. De Afdeling overwoog dat de afschaffing van de 10%-regeling, die rekening hield met duur van het medebewonerschap, niet betekent dat het huidige systeem proportioneel is. De Belastingdienst had artikel 7, tweede lid, Awir buiten toepassing moeten laten. Het hoger beroep is gegrond verklaard, de eerdere uitspraak en het besluit vernietigd en de Belastingdienst opgedragen een nieuw besluit te nemen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen vernietigd wegens strijd met het discriminatieverbod.