ECLI:NL:RVS:2016:840
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- G.M.H. Hoogvliet
- B.J. Schueler
- Rechtspraak.nl
Vernietiging boetebesluit wegens onjuiste toepassing Huisvestingswet bij verhuur zonder vergunning
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam legde aan appellante een bestuurlijke boete van €6.000 op wegens het in gebruik geven van een woonruimte zonder huisvestingsvergunning, in strijd met artikel 7, tweede lid, van de Huisvestingswet. Appellante verhuurde de woning namens de eigenaar aan een huurder zonder vergunning. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar appellante ging in hoger beroep bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat de woning niet ter beschikking was gekomen aan de huurder, omdat de eigenaar zijn hoofdverblijf in de woning behield. Hierdoor was er geen sprake van een overtreding van artikel 7, tweede lid, van de Huisvestingswet. Het college was daarom niet bevoegd om een boete op te leggen. De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigde het besluit van het college en de uitspraak van de rechtbank.
Daarnaast werd het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante, inclusief het griffierecht. De uitspraak van de Raad van State treedt in de plaats van het vernietigde besluit en maakt een einde aan de procedure.
Uitkomst: Het boetebesluit wordt vernietigd omdat de woning niet ter beschikking was gekomen en het opleggen van de boete onrechtmatig was.