ECLI:NL:RVS:2016:822
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening arbeid vreemdeling tijdens hoger beroep verblijfsvergunning
De vreemdeling had een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingediend, welke door de minister werd afgewezen. De staatssecretaris verklaarde het bezwaar hiertegen ongegrond. De rechtbank Den Haag vernietigde dit besluit echter en verklaarde het beroep gegrond. Tegen deze uitspraak stelde de vreemdeling hoger beroep in en verzocht zij om een voorlopige voorziening om arbeid te mogen verrichten gedurende het hoger beroep.
De voorzieningenrechter overwoog dat een herhaald verzoek om voorlopige voorziening alleen in behandeling wordt genomen indien nieuwe feiten of omstandigheden worden aangevoerd. De vreemdeling bracht een concreet werkaanbod in, maar dit woog niet zwaarder dan het belang van de staatssecretaris om het arbeidsverbod te handhaven, mede vanwege het beleid en de mogelijke precedentwerking.
Daarnaast is vastgesteld dat de vreemdeling financiële ondersteuning kan ontvangen van haar voormalige echtgenoot en dat opvang beschikbaar is in humanitaire noodsituaties. De voorzieningenrechter concludeerde dat het belang van de vreemdeling om arbeid te mogen verrichten minder zwaar weegt dan het belang van de staatssecretaris en wees het verzoek af.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening om arbeid te mogen verrichten tijdens het hoger beroep wordt afgewezen.