ECLI:NL:RVS:2016:609
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- Rechtspraak.nl
Afwijzing naturalisatieverzoek wegens openstaande strafzaak ondanks latere vrijspraak
Appellant verzocht om naturalisatie, maar de staatssecretaris wees dit verzoek op 1 oktober 2014 af omdat er op dat moment een openstaande strafzaak tegen hem liep wegens overtreding van de Opiumwet en diefstal van elektriciteit. Na bezwaar en beroep werd het verzoek eveneens afgewezen.
In hoger beroep stelde appellant dat hij inmiddels was vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten en dat dit nieuwe feit meegewogen moest worden. De Raad voor de Rechtspraak oordeelde echter dat het beleid zoals neergelegd in de Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 bepaalt dat bij een openstaande strafzaak op het moment van het naturalisatieverzoek of de beslissing daarop, serieuze verdenkingen bestaan die leiden tot afwijzing. De latere vrijspraak vormt geen bijzondere omstandigheid die afwijzing onrechtvaardig maakt.
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde daarom de eerdere uitspraak van de rechtbank en verwierp het hoger beroep, waarbij zij tevens geen aanleiding zag voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het naturalisatieverzoek bevestigd ondanks latere vrijspraak.