ECLI:NL:RVS:2016:453
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing toevoeging rechtsbijstand bij aanvraag voorlopige voorziening
De appellant had een aanvraag ingediend voor toevoeging van rechtsbijstand in verband met een procedure over een bijstandsuitkering die door het college van burgemeester en wethouders van Goeree-Overflakkee was afgewezen. De raad voor rechtsbijstand wees deze aanvraag af omdat uit de stukken bleek dat het geschil niet zodanig juridisch of feitelijk complex was dat gesubsidieerde rechtsbijstand noodzakelijk was.
De rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond. Appellant stelde dat het ging om een juridisch ingewikkeld geschil, met name over de vraag of sprake was van een gemeenschappelijke huishouding, waardoor hij niet zonder advocaat kon.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat appellant zelf in staat moest worden geacht zijn standpunt toe te lichten en dat de zaak niet zo complex was dat toevoeging noodzakelijk was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 24 februari 2016.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de toevoeging rechtsbijstand bevestigd.