Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2016:393

Raad van State

Datum uitspraak
17 februari 2016
Publicatiedatum
17 februari 2016
Zaaknummer
201505848/1/A4
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • W. Sorgdrager
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 3 lid 4 Wet geurhinder en veehouderij
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging omgevingsvergunning uitbreiding vleesvarkenshouderij ondanks geurhinder

Het college verleende op 9 maart 2015 een omgevingsvergunning aan Agrarisch Bedrijf Gedovar B.V. voor de uitbreiding van een vleesvarkenshouderij op Vroonweg 13 te Middelharnis. De vergunning omvatte de bouw van een nieuwe stal met gecombineerd luchtwassysteem en uitbreiding van het aantal varkens van 4.466 naar 6.360.

[Appellant] maakte bezwaar tegen de vergunning vanwege ernstige geuroverlast en stelde dat aanvullende voorschriften voor geurreductie hadden moeten worden gesteld. De voorzieningenrechter oordeelde dat, aangezien aan de Wet geurhinder en veehouderij werd voldaan, geen grond bestond om de vergunning te weigeren. De Raad van State onderschreef dit oordeel en verwierp het bezwaar.

Daarnaast stelde appellant dat het besluit onduidelijk was omdat niet bleek waarop de afwijking van het bestemmingsplan was gebaseerd. De Raad oordeelde dat dit een kennelijke verschrijving betrof en dat dit geen reden was om het besluit onrechtmatig te achten.

Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vergunning voor de uitbreiding van de vleesvarkenshouderij wordt bevestigd.

Uitspraak

201505848/1/A4.
Datum uitspraak: 17 februari 2016
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 12 juni 2015 in zaken nrs. 15/3052 en 15/3207 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland.
Procesverloop
Bij besluit van 9 maart 2015 heeft het college aan Agrarisch Bedrijf Gedovar B.V. (hierna: Gedovar) een omgevingsvergunning verleend ten behoeve van de uitbreiding van een vleesvarkenshouderij op het perceel Vroonweg 13 te Middelharnis.
Bij uitspraak van 12 juni 2015 heeft de voorzieningenrechter, voor zover hier van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 december 2015, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. M.E. Bosman, advocaat te Arnhem, en het college, vertegenwoordigd door M.G. van der Hoek LLM, werkzaam bij DCMR Milieudienst Rijnmond, en ir. G.J. Gerritsen, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Gedovar, vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, als partij gehoord.
Overwegingen
1. De bij het besluit van 9 maart 2015 verleende vergunning ziet op het bouwen van een bouwwerk, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) en het veranderen van een inrichting en het in werking hebben van de inrichting, als bedoeld in het eerste lid, onder e.
De vergunning is verleend ten behoeve van de realisering van een nieuwe stal, voorzien van een gecombineerd luchtwassysteem, het emissiearm maken van een deel van de bestaande traditionele stallen door deze te voorzien van centrale afzuigkanalen en te koppelen aan het gecombineerd luchtwassysteem van de nieuwe stal, en het uitbreiden van het veebestand van 4.466 tot 6.360 varkens. In de nieuwe stal (stal 4) worden 1.560 vleesvarkens gehouden en in de bestaande stallen neemt het aantal dieren toe met 334.
2. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de omgevingsvergunning vanwege ernstige geuroverlast moest worden geweigerd. Daartoe voert hij aan, zo heeft hij ter zitting verduidelijkt, dat ondanks dat aan de in de Wet geurhinder en veehouderij gestelde eisen wordt voldaan, met het oog op toepassing van de beste beschikbare technieken voorschriften hadden moeten worden gesteld ter reductie van de geuremissie.
2.1. De voorzieningenrechter heeft onbestreden overwogen dat, nu wordt voldaan aan artikel 3, vierde lid, van de Wet geurhinder en veehouderij, er in dat opzicht geen wettelijke grond bestaat de omgevingsvergunning te weigeren in verband met geurhinder. Het college heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat in de inrichting in de vergunde situatie technieken worden toegepast die een grotere reductie van de geuremissie meebrengen dan zou worden bereikt met toepassing van de technieken die voldoen aan de eis van toepassing van de beste beschikbare technieken. Er bestaat geen grond om aan de juistheid van dit standpunt te twijfelen.
Het betoog geeft gezien het voorgaande geen grond voor het oordeel dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de omgevingsvergunning vanwege de geurhinder moest worden geweigerd dan wel dat daaraan extra voorschriften hadden moeten worden verbonden over de toe te passen technieken.
3. [appellant] betoogt dat in het besluit van 9 maart 2015 staat dat vergunning wordt verleend voor het afwijken van het bestemmingsplan, terwijl uit het besluit niet blijkt waaruit die afwijking bestaat. Daarom is volgens hem onduidelijk waarvoor de omgevingsvergunning precies is verleend.
3.1. In het besluit van 9 maart 2015 is inderdaad vermeld dat vergunning wordt verleend voor het afwijken van het bestemmingsplan. Zoals het college terecht heeft opgemerkt is dit een kennelijke verschrijving, nu in het besluit op blz. 63 is geconstateerd dat er geen strijd met het bestemmingsplan is. In deze verschrijving had de rechtbank, indien [appellant] haar in zijn beroep bij de rechtbank aan de orde zou hebben gesteld, geen aanleiding hoeven vinden het besluit onduidelijk dan wel onrechtmatig te achten. Reeds hierom faalt deze hogerberoepsgrond.
4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak, voor zover aangevallen.
Aldus vastgesteld door mr. W. Sorgdrager, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, griffier.
w.g. Sorgdrager w.g. Van der Zijpp
lid van de enkelvoudige kamer griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2016
262-784.