ECLI:NL:RVS:2016:377
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake weigering DHW- en exploitatievergunning wegens slecht levensgedrag
De burgemeester van Rotterdam wees op 30 december 2013 de aanvragen van een aanvrager voor een exploitatievergunning en een drank- en horecawetvergunning (DHW-vergunning) af vanwege vermoedens van slecht levensgedrag, gebaseerd op een politieadvies en een antecedentenonderzoek. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van de aanvrager tegen dit besluit gegrond en vernietigde het besluit van 12 mei 2014, waarbij de burgemeester de bezwaren ongegrond had verklaard.
De burgemeester stelde in hoger beroep dat de rechtbank onvoldoende rekening had gehouden met de aard en ernst van de strafbare feiten waarvan de aanvrager werd verdacht, waaronder deelname aan een criminele organisatie en handel in verdovende middelen. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat het uitleveringsverzoek van juni 2013 nog liep en dat het tijdsverloop sinds de feiten van juli 2008 in dat licht niet doorslaggevend was.
De Afdeling oordeelde dat de burgemeester zich in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat de aanvrager niet voldeed aan het vereiste van niet in enig opzicht van slecht levensgedrag, zowel voor de DHW-vergunning als de exploitatievergunning. Daarom werd het hoger beroep van de burgemeester gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd, het beroep van de aanvrager ongegrond verklaard en het besluit van 10 april 2015 vernietigd.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van de aanvrager tegen de weigering van de vergunningen ongegrond.