ECLI:NL:RVS:2016:3507
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid incidenteel hoger beroep tegen niet-behandelingsbesluit verblijfsvergunning asiel
De staatssecretaris heeft bij besluit van 14 januari 2016 een aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling hiertegen gegrond. De staatssecretaris stelde daarop hoger beroep in bij de Raad van State. De vreemdeling stelde een incidenteel hoger beroep in tegen het besluit.
Tijdens de procedure trok de staatssecretaris het hoger beroep in, omdat de vreemdeling inmiddels was opgenomen in de nationale asielprocedure en de staatssecretaris verantwoordelijk werd voor de behandeling van de aanvraag. Hierdoor was het oorspronkelijke besluit uitgewerkt. De vreemdeling gaf aan alleen belang te hebben bij een uitspraak over het incidenteel hoger beroep betreffende de vernietiging van het besluit van 14 januari 2016.
De Raad van State oordeelde dat de vreemdeling geen belang meer had bij de inhoudelijke behandeling van het incidenteel hoger beroep, omdat het besluit was uitgewerkt en er geen schade was geleden. Daarom werd het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: Het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang.