ECLI:NL:RVS:2016:326
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afhandeling klachten ombudscommissie Neder-Betuwe
Appellant klaagde bij brief van 17 september 2014 over de wijze waarop de ombudscommissie Neder-Betuwe eerder door hem ingediende klachten had afgehandeld. Het college van burgemeester en wethouders van Neder-Betuwe gaf aan dat tegen de afhandeling van deze klachten geen rechtsmiddelen openstonden en nam een besluit om klachten van appellant niet meer in behandeling te nemen.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat het college niet-ontvankelijk verklaarde. De rechtbank Gelderland verklaarde het beroep van appellant ongegrond, op grond dat het besluit niet op enig rechtsgevolg was gericht en dus niet als besluit in de zin van artikel 1:3 Awb Pro kon worden aangemerkt.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat appellant geen beroep had ingesteld tegen het besluit van 25 november 2014, maar tegen het vergaderstuk en de brief van 4 november 2014, waarvoor geen bezwaar was gemaakt. Hierdoor trad de rechtbank buiten de omvang van het geding, en was zij onbevoegd om kennis te nemen van het beroep.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde de rechtbank onbevoegd. Tevens werd het betaalde griffierecht aan appellant terugbetaald. Een inhoudelijke beoordeling van de klacht was niet aan de orde omdat geen beroep was ingesteld tegen een besluit in de zin van de Awb.
Uitkomst: De rechtbank is onbevoegd verklaard omdat appellant geen beroep heeft ingesteld tegen een besluit in de zin van de Awb.