ECLI:NL:RVS:2016:3150
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- G. van der Wiel
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling krijgt gelijk in hoger beroep tegen weigering verblijfsvergunning vanwege onvoldoende motivering staatssecretaris
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris op 1 juli 2014 werd afgewezen wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv-vereiste). Dit besluit werd op 23 oktober 2015 gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, maar liet de rechtsgevolgen daarvan in stand. De vreemdeling ging hiertegen in hoger beroep bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het besluit in stand had gelaten, omdat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd waarom de weigering om de vreemdeling vrij te stellen van het mvv-vereiste geen schending van het recht op respect voor het privéleven (artikel 8 EVRM Pro) betekende. De vreemdeling verbleef sinds 2001 in Nederland, had rechtmatig verblijf gehad als alleenstaande minderjarige vreemdeling en had een VMBO-opleiding afgerond. De staatssecretaris had onvoldoende rekening gehouden met deze sterke banden met Nederland.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het deel van de uitspraak van de rechtbank dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand liet en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling. Er werd geen griffierecht vergoed omdat de vreemdeling hierop had afgezien.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het deel van de uitspraak dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand liet wordt vernietigd.