ECLI:NL:RVS:2016:3029
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlies Nederlanderschap door langdurig verblijf in buitenland en dubbele nationaliteit
Appellant, met dubbele nationaliteit sinds 1987, heeft vanaf 4 februari 2004 haar hoofdverblijf buiten Nederland gehad, zoals blijkt uit haar uitschrijving in de gemeentelijke basisadministratie met bestemming onbekend. De minister stelde haar aanvraag voor een nationaal paspoort buiten behandeling omdat zij op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap haar Nederlanderschap per 4 februari 2014 rechtsgeldig verloor door tien jaar onafgebroken verblijf in het buitenland met dubbele nationaliteit.
Appellant voerde aan dat niet vaststaat dat zij onafgebroken in de Dominicaanse Republiek verbleef en dat de tienjaartermijn pas vanaf haar arrestatie in 2006 zou moeten lopen. Ook stelde zij dat het buiten haar macht lag om eerder een paspoort aan te vragen omdat haar paspoort was ingenomen en vernietigd. De Afdeling oordeelde dat de minister terecht mocht vertrouwen op de GBA-gegevens en dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij in Nederland of de genoemde bijzondere landen verbleef.
De minister hoefde geen onderzoek te doen in de administraties van andere landen. De tienjaartermijn begon derhalve op 4 februari 2004 en liep tot 4 februari 2014. Geen reisdocument of verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap werd in die periode verstrekt, waardoor het Nederlanderschap rechtsgeldig is verloren. De rechtbank en de Afdeling bevestigden dat de aanvraag terecht buiten behandeling is gesteld. Het hoger beroep is ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de aanvraag voor een nationaal paspoort is terecht buiten behandeling gesteld vanwege het rechtsgeldig verloren Nederlanderschap.