ECLI:NL:RVS:2016:2998
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- H. Troostwijk
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende bewijs identiteit en nationaliteit
De staatssecretaris wees op 7 december 2015 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank, die op 31 december 2015 het besluit vernietigde en de staatssecretaris opdroeg een nieuw besluit te nemen. De staatssecretaris ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had aangenomen dat de vreemdeling met een kopie van de verblijfskaart van zijn vader een begin van bewijs had geleverd van zijn eigen identiteit, nationaliteit en herkomst. De staatssecretaris had terecht gesteld dat de vreemdeling geen documenten had overgelegd die op hemzelf betrekking hadden en dat hij geacht mocht worden deze documenten op te vragen in Iran, waar hij zijn hele leven zou hebben gewoond.
De Afdeling stelde vast dat het aan de vreemdeling is om zijn identiteit, nationaliteit en herkomst aannemelijk te maken volgens artikel 31 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De staatssecretaris hoefde geen nader onderzoek te verrichten of taalanalyse te laten doen, omdat er geen redelijke grond was om aan te nemen dat de vreemdeling zijn identiteit aannemelijk had gemaakt.
Het hoger beroep van de staatssecretaris werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning wordt bevestigd.