ECLI:NL:RVS:2016:2942
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie wees de aanvraag van een Afghaanse alleenstaande minderjarige vreemdeling om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af wegens het ontbreken van een machtiging tot voorlopig verblijf en het niet meewerken aan vertrek. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit van de staatssecretaris.
De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris terecht de contra-indicatie van niet meewerken aan vertrek heeft toegepast, omdat de vreemdeling niet had voldaan aan de vereiste stappen om vertrek te realiseren, zoals het benaderen van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM). De gestelde ontwikkelingsachterstand en minderjarigheid konden dit niet rechtvaardigen.
Verder concludeerde de Raad dat de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro door de staatssecretaris deugdelijk was gemotiveerd, waarbij rekening was gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling, zijn verblijf in Nederland en zijn banden met Afghanistan.
Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning blijft in stand.