ECLI:NL:RVS:2016:2937
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- H. Troostwijk
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank en instandhouding niet-ontvankelijkverklaring verblijfsvergunning asiel
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie verklaarde op 25 juni 2016 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van nieuwe elementen of bevindingen. De rechtbank vernietigde dit besluit op 25 juli 2016 en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moest nemen, omdat niet was beoordeeld of bijzondere, individuele feiten en omstandigheden een uitzondering op de niet-ontvankelijkverklaring rechtvaardigden.
De staatssecretaris ging in hoger beroep tegen deze uitspraak en stelde dat hij wel degelijk deugdelijk had gemotiveerd waarom de overlijdensakte van de tweelingbroer van de vreemdeling niet voldoende was om de niet-ontvankelijkverklaring achterwege te laten. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het besluit niet in stand had gelaten, omdat de staatssecretaris de motivering omtrent de overlijdensakte adequaat had toegelicht.
De Afdeling vernietigde daarom het gedeelte van de uitspraak van de rechtbank dat bepaalde dat de rechtsgevolgen van het besluit niet in stand bleven en dat een nieuw besluit moest worden genomen. De rechtsgevolgen van het besluit van 25 juni 2016 blijven volledig van kracht. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling ter hoogte van €496,00.
Uitkomst: De niet-ontvankelijkverklaring van de aanvraag verblijfsvergunning asiel blijft in stand en de uitspraak van de rechtbank wordt gedeeltelijk vernietigd.