ECLI:NL:RVS:2016:2814
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing uitkering verhuiskosten en rechtsbijstand Schadefonds Geweldsmisdrijven
De appellant diende een aanvraag in bij de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) voor vergoeding van verhuiskosten en rechtsbijstand na een geweldsmisdrijf gepleegd door zijn buurman. De CSG wees deze aanvraag af omdat de appellant niet aannemelijk had gemaakt dat de verhuizing een direct gevolg was van het letsel door het misdrijf en dat hij de kosten voor rechtsbijstand daadwerkelijk had gemaakt.
De rechtbank bevestigde dit oordeel en stelde dat het tijdsverloop van zestien maanden tussen het geweldsmisdrijf en de verhuizing te lang was om een rechtstreeks verband te veronderstellen. De appellant stelde dat hij vanwege angst en het uitblijven van maatregelen tegen de buurman pas na verloop van tijd kon verhuizen en overlegde een psychologisch rapport dat een posttraumatische-stressstoornis bevestigde, maar dit rapport ondersteunde het verband met de verhuizing niet.
De Raad van State oordeelde dat de CSG en rechtbank de afwijzing in redelijkheid hebben genomen. Het tijdsverloop en het ontbreken van medische of sociaalpsychische onderbouwing maakten het verband onvoldoende aannemelijk. Ook het standpunt dat de appellant geen belang had bij een oordeel over de rechtsbijstandskosten werd bevestigd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bekrachtigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de uitkering voor verhuiskosten en rechtsbijstand bevestigd.