ECLI:NL:RVS:2016:2727
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- E. Steendijk
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat overdracht asielaanvraag aan Duitsland gegrond is ondanks belangen minderjarig kind
De vreemdeling diende op 24 oktober 2015, mede namens zijn minderjarige kind, een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris wees de aanvraag af en hield Duitsland verantwoordelijk voor de behandeling op grond van de Dublinverordening. De rechtbank vernietigde dit besluit omdat zij vond dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd waarom de belangen van het kind niet tot een uitzondering op de overdracht leidden.
De staatssecretaris stelde in hoger beroep dat hij de belangen van het kind wel degelijk had meegewogen, onder andere omdat het kind samen met zijn vader en familieleden aan Duitsland zou worden overgedragen en daar passende opvang en zorg beschikbaar is. De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris de belangen van het kind conform de relevante artikelen van de Dublinverordening en het IVRK had betrokken en dat er geen bijzondere omstandigheden waren die een overdracht zouden verhinderen.
De Raad van State vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Tevens werd vastgesteld dat de vreemdeling onvoldoende had onderbouwd dat hij in Duitsland niet adequaat beschermd zou worden tegen bijvoorbeeld eerwraak. De overige beroepsgronden werden niet behandeld omdat deze reeds door de rechtbank waren beoordeeld en niet in hoger beroep aan de orde waren gesteld.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de overdracht van zijn asielaanvraag aan Duitsland is gegrond.