ECLI:NL:RVS:2016:2692
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking verblijfsvergunning en inreisverbod wegens onvoldoende motivering gevaar nationale veiligheid
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie trok op 8 juli 2014 de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van de vreemdeling in en legde een inreisverbod van 20 jaar op vanwege een actueel gevaar voor de nationale veiligheid, gebaseerd op een ambtsbericht van de AIVD. De vreemdeling voerde bezwaar aan tegen dit besluit, dat werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit, maar de staatssecretaris ging in hoger beroep.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de motivering van het gevaar voor de nationale veiligheid onvoldoende was, omdat de staatssecretaris in hoger beroep aanvullende motivering had gegeven en de vreemdeling voldoende gelegenheid had gehad om hierop te reageren. De Raad nam kennis van vertrouwelijke stukken en concludeerde dat het ambtsbericht zorgvuldig tot stand was gekomen.
Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning werd niet-ontvankelijk verklaard, omdat het inreisverbod de rechtsgevolgen daarvan beheerst. Het beroep tegen het inreisverbod werd gegrond verklaard en het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit bleven in stand. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
De vreemdeling had betwist dat hij een actueel gevaar vormde en verwees naar zijn veranderde opvattingen en omstandigheden, maar de Raad vond de motivering van de staatssecretaris voldoende gegrond op het ambtsbericht, aanvullende rapporten en de strafzaak waarin de vreemdeling was veroordeeld voor jihadistische activiteiten.
De belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM Pro werd door de staatssecretaris zorgvuldig gemaakt, waarbij de ernst van het gevaar en de banden van de vreemdeling met Nederland en Marokko werden meegewogen. De Raad bevestigde dat de intrekking en het inreisverbod niet in strijd zijn met het EVRM.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning is niet-ontvankelijk, het beroep tegen het inreisverbod is gegrond en het besluit wordt vernietigd met behoud van de rechtsgevolgen.