ECLI:NL:RVS:2016:2670
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak inzake inreisverbod en ongewenstverklaring vreemdeling
Bij besluit van 11 november 2015 heeft de staatssecretaris een verzoek van de vreemdeling ingewilligd om zijn ongewenstverklaring op te heffen, maar tegelijkertijd een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. De vreemdeling stelde beroep in tegen dit besluit en tegen het eerdere terugkeerbesluit van 5 oktober 2007. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het terugkeerbesluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het besluit van 2015 ongegrond.
De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Raad van State, terwijl de staatssecretaris voorwaardelijk incidenteel hoger beroep instelde. De Raad van State oordeelde dat op grond van artikel 83c, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 geen incidenteel hoger beroep mogelijk is tegen terugkeerbesluiten of inreisverboden, waardoor het incidenteel hoger beroep van de staatssecretaris niet-ontvankelijk is.
De Raad van State stelde vast dat de gronden van het hoger beroep van de vreemdeling niet tot vernietiging van de uitspraak konden leiden en bevestigde daarom het vonnis van de rechtbank. Tevens veroordeelde de Raad de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: Het incidenteel hoger beroep van de staatssecretaris is niet-ontvankelijk verklaard en het hoger beroep van de vreemdeling is ongegrond; de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.