ECLI:NL:RVS:2016:267
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H.G. Sevenster
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende middelen
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie wees een aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) af omdat de vreemdeling niet kon aantonen dat hij over 2013 een brutowinst van minimaal €1.604,45 per maand had behaald, zoals vereist volgens de Vreemdelingenwet 2000 en het Vreemdelingenbesluit 2000.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, onder meer omdat de staatssecretaris volgens de rechtbank ten onrechte de privéopnamen over 2012 niet had meegerekend bij de brutowinst. De staatssecretaris stelde in hoger beroep dat de rechtbank buiten de grenzen van het geschil was getreden omdat de vreemdeling dit niet had aangevoerd.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank inderdaad buiten het geschil was getreden en vernietigde de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling toetste het besluit zelf en kwam tot het oordeel dat de vreemdeling niet had aangetoond dat hij voldeed aan het middelenvereiste, en verklaarde het beroep ongegrond.
De Afdeling wees ook een beroepsgrond af die betrekking had op nationale regelgeving en internationale verdragen omdat daarover reeds een onherroepelijk oordeel was gegeven door de rechtbank.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf blijft in stand.