ECLI:NL:RVS:2016:2564
Raad van State
- Hoger beroep
- F.C.M.A. Michiels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing ligplaatsvergunning passagiersvaartuig op grond van vergunningstop en beleidsregels
Appellant, eigenaar van een passagiersvaartuig, vroeg in 2013 een ligplaatsvergunning aan voor een locatie aan de Prinsengracht in Amsterdam. Het dagelijks bestuur wees deze aanvraag af op grond van het beleid dat sinds 1996 geldt, waarbij alleen bedrijfsvaartuigen die op 18 december 1996 ligplaats hadden in het beheersgebied in aanmerking komen voor vergunningverlening. Voor passagiersvaartuigen geldt een uitzondering, mits zij beschikken over een exploitatievergunning van voor 2006 en op het moment van beleidsvaststelling ligplaats innamen binnen het beheersgebied.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het vaartuig van appellant in de periode 1998-2007 geen ligplaats had binnen het beheersgebied. Appellant voerde aan dat het vaartuig wel degelijk ligplaats had aan de Kloveniersburgwal, binnen het beheersgebied, en betwistte de uitleg van het beleid. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat appellant onvoldoende concreet bewijs leverde voor deze stelling en dat de overgelegde kaart en foto onvoldoende waren om het tegendeel aan te tonen.
De Afdeling stelde vast dat het vaartuig feitelijk ligplaats had aan de Stuurmankade, buiten het beheersgebied, zoals ook blijkt uit stukken van de voormalige exploitant. Het beleid en de vergunningstop zijn volgens de Afdeling correct toegepast en de afwijzing van de vergunningaanvraag is terecht. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de ligplaatsvergunning bevestigd.