ECLI:NL:RVS:2016:245
Raad van State
- Hoger beroep
- J. Kramer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing huurtoeslag wegens ontbreken zelfstandige woonruimte
Appellant vroeg op 5 augustus 2012 huurtoeslag aan voor een woning waarvoor aanvankelijk een voorschot van €3.531 werd toegekend. De Belastingdienst stelde dit voorschot later op nihil omdat de woning niet als zelfstandige woonruimte werd aangemerkt en er meerdere personen op hetzelfde adres stonden ingeschreven, waardoor het gezamenlijke toetsingsinkomen te hoog was. Tevens werd gesteld dat appellant als directeur van de verhuurder invloed had op de huurprijs.
Appellant voerde aan dat de zelfstandigheid van de woonruimte al in een eerdere procedure was erkend en dat hij huurder was zonder invloed op de huurprijs. Hij stelde ook dat de medebewoners niet in zijn woning woonden. De rechtbank oordeelde echter dat appellant onvoldoende bewijs had geleverd dat het om een zelfstandige woonruimte ging en dat de medebewoners niet tot zijn huishouden behoorden.
De Raad van State overwoog dat de Belastingdienst ervan uit mag gaan dat op één BRP-adres één zelfstandige woning is gelegen, tenzij de aanvrager overtuigend bewijs levert van het tegendeel. Appellant faalde hierin. Ook werd geoordeeld dat de Belastingdienst terecht afzag van een hoorzitting omdat geen aannemelijk bewijs was geleverd dat tot een ander besluit zou leiden.
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit om het voorschot huurtoeslag op nihil te stellen wordt bevestigd.