ECLI:NL:RVS:2016:2390

Raad van State

Datum uitspraak
7 september 2016
Publicatiedatum
7 september 2016
Zaaknummer
201508898/1/V6
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. Troostwijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:7 AwbArt. 8:117 AwbArt. 8 RWNArt. 10 RWNArt. 9 RWN
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verzoek tot verlening Nederlanderschap wegens tijdelijke verblijfsvergunning

De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft het verzoek van appellante om het Nederlanderschap te verkrijgen afgewezen omdat haar verblijfsrecht in Nederland tijdelijk is, gebaseerd op een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking 'tijdelijke humanitaire gronden'. Appellante voerde aan dat bijzondere omstandigheden, zoals haar geboorte en opvoeding in Nederland, haar uitzetting naar Ghana, misbruik van persoonsgegevens en slachtofferschap van mensenhandel, aanleiding zouden moeten zijn voor verlening van het Nederlanderschap op grond van artikel 10 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN).

De rechtbank Den Haag had het beroep van appellante ongegrond verklaard en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft dit oordeel bevestigd. De Afdeling overwoog dat artikel 10 RWN Pro niet de bevoegdheid geeft om af te wijken van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN, die vereist dat geen bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd. Omdat de afwijzing op deze bepaling berust, kunnen de aangevoerde bijzondere omstandigheden niet leiden tot een andere uitkomst.

De Afdeling achtte de rechtbank Amsterdam bevoegd gelet op artikel 8:7, tweede lid, Awb en verklaarde de aangevallen uitspraak als bevoegd gedaan. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek tot verlening van het Nederlanderschap wordt bevestigd.

Uitspraak

201508898/1/V6.
Datum uitspraak: 7 september 2016
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 29 oktober 2015 in zaak nr. 15/1970 in het geding tussen:
[appellante]
en
de minister van Veiligheid en Justitie.
Procesverloop
Bij besluit van 15 januari 2015 heeft de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie het verzoek van [appellante] om haar het Nederlanderschap te verlenen (hierna: het verzoek) afgewezen.
Bij besluit van 23 maart 2015 heeft de minister (lees: de staatssecretaris) het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 29 oktober 2015 heeft de rechtbank het daartegen door [appellante] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 augustus 2016, waar de minister, vertegenwoordigd door S.Q. Sandifort MSc, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, is verschenen.
Overwegingen
1. Onder de minister wordt tevens zijn rechtsvoorganger verstaan.
Bevoegdheid
2. Ambtshalve wordt het volgende overwogen.
2.1. De aangevallen uitspraak is gedaan door de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, terwijl, gelet op de voorliggende materie en artikel 8:7, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), de rechtbank Amsterdam bevoegd was. Met het oog op een effectieve geschilbeslechting ziet de Afdeling aanleiding de aangevallen uitspraak krachtens artikel 8:117 van Pro de Awb als bevoegdelijk gedaan aan te merken.
Inleiding
3. Bij besluit van 23 maart 2015 heeft de minister de afwijzing van het verzoek gehandhaafd, omdat tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland van [appellante] bedenkingen bestaan als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN). De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat het verblijfsrecht van [appellante] een tijdelijk karakter heeft, aangezien zij in het bezit is van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking "tijdelijke humanitaire gronden".
In het hoger beroep van [appellante]
4. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zich bijzondere omstandigheden voordoen als bedoeld in artikel 10 van Pro de RWN, op grond waarvan de minister haar het Nederlanderschap had moeten verlenen. [appellante] voert daartoe aan dat zij in Nederland is geboren en opgegroeid, door haar moeder naar Ghana is meegenomen, daar is achtergelaten, dat haar persoonsgegevens door anderen zijn misbruikt en dat zij slachtoffer is geworden van mensenhandel.
4.1. Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de RWN komt voor verlening van het Nederlanderschap slechts in aanmerking de verzoeker tegen wiens verblijf voor onbepaalde tijd in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, geen bedenkingen bestaan.
Ingevolge artikel 10 kan Pro de minister, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, in bijzondere gevallen het Nederlanderschap verlenen met afwijking van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, c en d, artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, en de termijn genoemd in artikel 11, derde, vierde en vijfde lid, van de RWN.
4.2. Zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, biedt artikel 10 van Pro de RWN de minister niet de bevoegdheid af te wijken van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de RWN. Aangezien de afwijzing van het verzoek op deze bepaling berust, kunnen de door [appellante] aangevoerde omstandigheden, wat daar verder ook van zij, niet leiden tot een geslaagd beroep op artikel 10 van Pro de RWN.
De rechtbank is dus terecht niet aan een nadere bespreking van deze omstandigheden toegekomen.
Het betoog faalt.
Conclusie
5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.V.T.K. Oei, griffier.
w.g. Troostwijk w.g. Oei
lid van de enkelvoudige kamer griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 september 2016
670.