ECLI:NL:RVS:2016:2378

Raad van State

Datum uitspraak
22 augustus 2016
Publicatiedatum
31 augustus 2016
Zaaknummer
201508263/1/V1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. Troostwijk
  • H.G. Sevenster
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.5a Vb 2000Art. 11 lid 2 Richtlijn 2008/115/EGArtikel 8:54 Awb
Verwijzingen
9 uitgaand · 5 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging inreisverbod wegens onvoldoende motivering ernstige bedreiging

De staatssecretaris vaardigde op 2 december 2014 een inreisverbod van tien jaar uit tegen de vreemdeling vanwege een eerdere veroordeling voor een opiumdelict. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank, die dit ongegrond verklaarde. In hoger beroep klaagde de vreemdeling dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd, met name omdat de staatssecretaris niet had meegewogen dat hij sinds de veroordeling in 2007 geen strafbare feiten meer had gepleegd.

De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris onjuist had gehandeld door alleen te kijken naar de veroordeling en niet naar het tijdsverloop en het risico op recidive. Volgens het arrest Z.Zh. en I.O. van het Hof van Justitie moet een inreisverbod van meer dan vijf jaar gebaseerd zijn op een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast, en moet dit gemotiveerd worden.

De Raad van State vernietigde daarom het besluit en de uitspraak van de rechtbank voor zover het ging om het inreisverbod. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De zaak werd terugverwezen met het oordeel dat het inreisverbod onvoldoende is gemotiveerd en daarom niet gehandhaafd kan blijven.

Uitkomst: Het inreisverbod van tien jaar wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van een actuele en ernstige bedreiging.

Uitspraak

201508263/1/V1.
Datum uitspraak: 22 augustus 2016
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 13 oktober 2015 in zaak nr. 14/28920 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.
Procesverloop
Bij besluit van 2 december 2014 (hierna: het besluit) heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een inreisverbod tegen de vreemdeling uitgevaardigd. Het besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 13 oktober 2015 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. C.M.G.M. Raafs, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. In de enige grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris niet ten onrechte krachtens artikel 6.5a, vijfde lid, aanhef en onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) een inreisverbod voor de duur van tien jaar tegen hem heeft uitgevaardigd. De vreemdeling voert aan dat de rechtbank heeft miskend dat de staatssecretaris volgens het arrest van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) van 11 juni 2015, Z.Zh. en I.O., ECLI:EU:C:2015:377 (hierna: het arrest Z.Zh. en I.O.), voor de uitvaardiging van een inreisverbod voor de duur van meer dan vijf jaar moet motiveren dat een vreemdeling een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Volgens de vreemdeling voldoet het besluit niet aan die motiveringseisen nu de staatssecretaris daarin slechts heeft betrokken dat hij in het verleden is veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet. De vreemdeling voert aan dat de staatssecretaris ten onrechte niet is ingegaan op het tijdsverloop sindsdien en het gevaar voor recidive. Daarbij wijst hij erop dat de overtreding van de Opiumwet van 27 november 2006 dateert en dat hij daarvoor bij vonnis van 23 maart 2007 is veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en dat hij na afloop van het onvoorwaardelijk deel, op 26 juni 2007, tijdens de op 6 april 2009 geëindigde proeftijd en de periode daarna geen strafbare feiten meer heeft gepleegd.
1.1. Volgens artikel 11, tweede lid, van Richtlijn 2008/115/EG (PB 2008 L 348; hierna: de Terugkeerrichtlijn) wordt de duur van het inreisverbod volgens alle relevante omstandigheden van het geval bepaald, en bedraagt de duur in principe niet meer dan vijf jaar. De duur kan meer dan vijf jaar bedragen indien een onderdaan van een derde land een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.
Ingevolge artikel 6.5a, vijfde lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000 bedraagt de duur van het inreisverbod, in afwijking van het eerste tot en met het vierde lid, ten hoogste tien jaar, indien het betreft een vreemdeling die een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde of de openbare veiligheid. De ernstige bedreiging kan onder meer blijken uit een veroordeling naar aanleiding van een geweldsdelict of opiumdelict.
1.2. Uit de uitspraak van de Afdeling van 2 juni 2016 ECLI:NL:RVS:2016:1550, volgt dat de uitleg van het openbare-orde begrip van het Hof in het arrest Z.Zh. en I.O. van toepassing is op de uitvaardiging van een inreisverbod voor de duur van meer dan vijf jaar, als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn. Voorts heeft de Afdeling in die uitspraak overwogen dat uit het arrest Z.Zh. en I.O. volgt dat voor de uitvaardiging van een inreisverbod voor de duur van meer dan vijf jaar minstens is vereist dat sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast.
In de uitspraak van 20 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3579, heeft de Afdeling uit het arrest Z.Zh. en I.O. afgeleid dat, voor zover thans van belang, de staatssecretaris bij zijn beoordeling of sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast, alle feitelijke en juridische gegevens moet betrekken die zien op de situatie van een vreemdeling in relatie met het door hem gepleegde strafbare feit, zoals onder meer de aard en ernst van dat strafbare feit en het tijdsverloop sinds het plegen daarvan. Steunen op een algemene praktijk of een vermoeden volstaat daarom niet. Voorts moet de staatssecretaris bij zijn beoordeling in acht nemen dat vorenbedoelde feitelijke en juridische gegevens niet noodzakelijkerwijs beperkt zijn tot de gegevens die de strafrechter heeft beoordeeld.
Het resultaat van vorenbedoeld onderzoek moet blijken uit de motivering van een besluit. Indien een vreemdeling voorafgaand aan het nemen van een besluit omstandigheden aanvoert op grond waarvan volgens hem geen sprake is van een gevaar voor de openbare orde, moet de staatssecretaris aanvullend motiveren waarom die omstandigheden niet tot een ander oordeel leiden.
1.3. Gelet op het voorgaande, heeft de staatssecretaris, door naar de letter van artikel 6.5a, vijfde lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000 uitsluitend te beoordelen of de vreemdeling is veroordeeld naar aanleiding van een opiumdelict, een onjuiste maatstaf toegepast. Door voor het overige slechts te volstaan met het standpunt dat in artikel 6.5a, van het Vb 2000 al rekening is gehouden met de ernst van het strafbare feit en voorts dat de omstandigheid dat de vreemdeling vanaf 2006 geen strafbare feiten meer heeft gepleegd geen reden is om af te zien van de uitvaardiging van een inreisverbod voor de duur van tien jaar, heeft de staatssecretaris onvoldoende gemotiveerd dat de vreemdeling een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. De rechtbank heeft dat niet onderkend.
De grief slaagt.
2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, voor zover de rechtbank het beroep gericht tegen het inreisverbod ongegrond heeft verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling, voor zover gericht tegen het inreisverbod, alsnog gegrond verklaren en het besluit in zoverre vernietigen.
3. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 13 oktober 2015 in zaak nr. 14/28920, voor zover de rechtbank het beroep gericht tegen het inreisverbod ongegrond heeft verklaard;
III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond, voor zover gericht tegen het inreisverbod;
IV. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 2 december 2014, V-nummer […], voor zover dat ziet op het inreisverbod.
V. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.488,00 (zegge: veertienhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
VI. bepaalt dat de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan de vreemdeling het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 413,00 (zegge: vierhonderddertien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, griffier.
w.g. Troostwijk w.g. De Vink
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2016
154-826.