ECLI:NL:RVS:2016:2238
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- A.B.M. Hent
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen oordeel schijn van vooringenomenheid bij bezwaarprocedure omzettingsvergunning
Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht verleende een omzettingsvergunning voor een adres in Utrecht, waartegen de Vereniging van Eigenaars (VvE) bezwaar maakte. De rechtbank verklaarde het bezwaar van de VvE tegen een besluit van het college niet-ontvankelijk, maar oordeelde later dat het college dit onterecht had gedaan en dat het bezwaar alsnog inhoudelijk beoordeeld moest worden. Vervolgens verklaarde de rechtbank het bezwaar tegen een nieuw besluit gegrond en vernietigde dit besluit vanwege schijn van vooringenomenheid, omdat dezelfde ambtenaar de hoorzitting in bezwaar had voorgezeten.
Het college stelde hoger beroep in tegen het oordeel over de schijn van vooringenomenheid. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had aangenomen dat de behandelend ambtenaar het besluit in mandaat had genomen. De besluiten waren genomen door de wethouder, en de ambtenaar had slechts gehoord en geadviseerd. De enkele omstandigheid dat dezelfde ambtenaar beide hoorzittingen leidde, wekt geen schijn van vooringenomenheid.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, oordeelde dat het college het bezwaar van de VvE opnieuw moet behandelen zonder griffierecht te heffen, en veroordeelde het college tot vergoeding van de proceskosten van de VvE.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt gegrond verklaard en het oordeel over schijn van vooringenomenheid vernietigd.