ECLI:NL:RVS:2016:2110
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering huurtoeslag wegens medebewoning zoon
In deze zaak heeft de Belastingdienst/Toeslagen de huurtoeslag van appellant over 2013 definitief vastgesteld op nihil en het reeds betaalde voorschot van € 3.097,00 teruggevorderd. Dit besluit is gehandhaafd in bezwaar en door de rechtbank ongegrond verklaard in beroep. Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
Appellant voerde aan dat zijn zoon, een eerstegraads bloedverwant, niet als medebewoner mocht worden aangemerkt en dat het inkomen van de zoon alleen mocht worden meegerekend indien werd bewezen dat zij een gezamenlijke huishouding voerden. De Raad van State oordeelde dat de inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) bepalend is voor de medebewoning en dat de uitzonderingen op medebewoning niet van toepassing zijn. Het begrip gezamenlijke huishouding is niet relevant voor de huurtoeslag.
Omdat de zoon in 2013 niet jonger was dan 23 jaar, mocht het volledige inkomen van de zoon worden meegerekend. De terugvordering van de teveel betaalde voorschotten is op grond van de Awir terecht. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van de huurtoeslag bevestigd.