ECLI:NL:RVS:2016:1768

Raad van State

Datum uitspraak
15 juni 2016
Publicatiedatum
22 juni 2016
Zaaknummer
201601869/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArtikel 91, tweede lid, Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging vertrekplicht in besluit niet in behandeling nemen verblijfsvergunning asiel

De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris nam deze aanvraag op 9 februari 2016 niet in behandeling en legde daarbij onterecht een vertrekplicht op aan de vreemdeling. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, waarna hoger beroep werd ingesteld bij de Raad van State.

De Raad van State oordeelde dat de opgelegde vertrekplicht onterecht was en vernietigde het besluit voor zover deze verplichting was opgenomen. De aanvraag zelf werd echter terecht niet in behandeling genomen, en dat deel van het besluit bleef in stand. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het beroep van de vreemdeling gegrond verklaard.

Daarnaast werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, die geheel toe te rekenen waren aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Hiermee werd de rechtsbescherming van de vreemdeling versterkt zonder het besluit over de aanvraag zelf te wijzigen.

Uitkomst: Het besluit om de aanvraag niet in behandeling te nemen blijft staan, maar de onterechte vertrekplicht wordt vernietigd.

Uitspraak

201601869/1/V3.
Datum uitspraak: 15 juni 2016
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 8 maart 2016 in zaak nr. 16/2440 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.
Procesverloop
Bij besluit van 9 februari 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet in behandeling genomen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 8 maart 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.L. Saija, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Hetgeen in grief II is aangevoerd kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, met dat oordeel volstaan.
2. In grief I klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat in het bestreden besluit onder het kopje "rechtsgevolgen van deze beschikking" terecht staat vermeld dat hij Nederland onmiddellijk moet verlaten.
2.1. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 5 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3477, is de klacht terecht voorgedragen, zodat de grief slaagt.
3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen voor het overige is aangevoerd behoeft geen bespreking meer. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 9 februari 2016 alsnog gegrond verklaren. Dit besluit komt voor vernietiging in aanmerking, voor zover daarbij is bepaald dat de vreemdeling Nederland binnen vier weken moet verlaten. Dat aan de vreemdeling ten onrechte een vertrekplicht is opgelegd doet niet af aan de rechtmatigheid van het besluit van 9 februari 2016, voor zover daarbij de aanvraag van de vreemdeling niet in behandeling is genomen.
4. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 8 maart 2016 in zaak nr. 16/2440;
III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 9 februari 2016, V-nr. […], voor zover daarbij is bepaald dat de vreemdeling Nederland onmiddellijk dient te verlaten;
V. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 992,00 (zegge: negenhonderdtweeënnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. G. van der Wiel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.T. Annen, griffier.
w.g. Van der Wiel w.g. Annen
lid van de enkelvoudige kamer griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2016
765.