ECLI:NL:RVS:2016:1764
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.W.M. Bijloos
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling krijgt vergoeding wegens onvoldoende voortvarendheid bij uitzetting
De vreemdeling kreeg op 30 maart 2016 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd en werd op 19 april 2016 uitgezet naar Suriname. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze maatregel ongegrond. In hoger beroep klaagde de vreemdeling dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend had gehandeld bij de voorbereiding van haar uitzetting, ondanks dat zij beschikte over een geldig paspoort en retourticket.
De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris pas op de veertiende dag na oplegging van de maatregel met de daadwerkelijke voorbereiding van de uitzetting was begonnen, wat onvoldoende voortvarendheid betekende. Er waren geen bijzondere omstandigheden of medewerkingstekorten van de vreemdeling die dit konden rechtvaardigen.
De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en kende een vergoeding toe over de periode van 30 maart tot 19 april 2016. Tevens werden proceskosten aan de staatssecretaris opgelegd. Hiermee werd erkend dat de vrijheidsontnemende maatregel van meet af aan niet gerechtvaardigd was.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de vreemdeling krijgt een vergoeding wegens onvoldoende voortvarendheid bij de uitzetting.