ECLI:NL:RVS:2016:1693

Raad van State

Datum uitspraak
7 juni 2016
Publicatiedatum
15 juni 2016
Zaaknummer
201601077/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 85 Vreemdelingenwet 2000Art. 91 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:54 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling staatssecretaris tot vergoeding proceskosten na gegrond verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring

De vreemdeling had een aanvraag tot wijziging van de beperking van haar verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingediend, welke door de staatssecretaris werd afgewezen. Na bezwaar werd haar alsnog een verblijfsvergunning verleend. De vreemdeling stelde vervolgens beroep in tegen dit besluit, dat door de rechtbank niet-ontvankelijk werd verklaard wegens niet-betaling van griffierecht. De vreemdeling maakte hiertegen verzet, dat gegrond werd verklaard omdat zij mocht vertrouwen op een toezegging dat het griffierecht was voldaan.

De rechtbank verklaarde het beroep in eerste aanleg ongegrond, maar wees de vergoeding van proceskosten die de vreemdeling had gemaakt in verband met het verzet af. De vreemdeling ging hiertegen in hoger beroep bij de Raad van State. Deze oordeelde dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenveroordeling had uitgesproken ten behoeve van de vreemdeling, nu het verzet gegrond was verklaard en er geen feiten waren die een uitzondering rechtvaardigden.

De Raad van State vernietigde het deel van de uitspraak waarin de proceskostenvergoeding werd afgewezen en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht. Voor het overige werd de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van de vreemdeling.

Uitspraak

201601077/1/V1.
Datum uitspraak: 7 juni 2016
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 13 januari 2016 in zaak nr. 15/6829 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.
Procesverloop
Bij besluit van 26 juni 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om wijziging van de beperking van een aan haar verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen.
Bij besluit van 5 maart 2015 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar gegrond verklaard en haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend met ingang van 19 februari 2015, geldig tot 19 februari 2017. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 30 juli 2015 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling verzet gedaan.
Bij mondelinge uitspraak van 8 oktober 2015 heeft de rechtbank het verzet gegrond verklaard.
Bij uitspraak van 13 januari 2016 heeft de rechtbank het door de vreemdeling tegen het besluit van 5 maart 2015 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. D. Schaap, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Hetgeen de vreemdeling als grief 1 aanvoert en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.
2. De vreemdeling klaagt in grief 2 dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zij, gelet op de gegrondverklaring van het verzet, de staatssecretaris in beginsel had moeten veroordelen tot vergoeding van de bij haar in verband met de behandeling van het verzet tegen de uitspraak van 30 juli 2015 opgekomen proceskosten. Zij verwijst hiervoor naar het arrest van de Hoge Raad van 12 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL3600.
2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1753), is de rechtbank bij een gegrond verzet gehouden in de uitspraak in de bodemprocedure een proceskostenveroordeling ten behoeve van de in verzet gemaakte proceskosten uit te spreken indien zij dit niet reeds heeft gedaan in de uitspraak op verzet.
2.2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak noch het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 8 oktober 2015 gemotiveerd waarom volgens haar ondanks gegrondverklaring van het verzet geen aanleiding bestaat voor een proceskostenveroordeling.
2.3. De rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 30 juli 2015 niet-ontvankelijk verklaard omdat de vreemdeling het verschuldigde griffierecht niet had voldaan.
Volgens het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 8 oktober 2015 is het verzet gegrond omdat de vreemdeling, gelet op een aan haar gedane toezegging, ervan mocht uitgaan dat zij het verschuldigde griffierecht had voldaan.
Gelet hierop hebben zich geen feiten of omstandigheden voorgedaan die moeten leiden tot het achterwege laten van een proceskostenveroordeling in verzet. De rechtbank heeft niet onderkend dat zij de staatssecretaris dan ook had moeten veroordelen tot vergoeding van de bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzet tegen de uitspraak van 30 juli 2015 opgekomen proceskosten.
De grief slaagt.
3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover de rechtbank een veroordeling van de staatssecretaris tot vergoeding van de bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzet tegen de uitspraak van 30 juli 2015 opgekomen proceskosten achterwege heeft gelaten. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de staatssecretaris veroordelen tot vergoeding van die kosten. De aangevallen uitspraak moet voor het overige worden bevestigd.
4. De staatssecretaris moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 13 januari 2016 in zaak nr. 15/6829, voor zover de rechtbank een veroordeling van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van de bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzet tegen de uitspraak van 30 juli 2015 opgekomen proceskosten achterwege heeft gelaten;
III. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
IV. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzet en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 992,00 (zegge: negenhonderdtweeënnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
V. gelast dat de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan de vreemdeling het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 251,00 (zegge: tweehonderdeenenvijftig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.K. de Keizer, griffier.
w.g. Lubberdink w.g. De Keizer
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2016
716.