ECLI:NL:RVS:2016:1693
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Veroordeling staatssecretaris tot vergoeding proceskosten na gegrond verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring
De vreemdeling had een aanvraag tot wijziging van de beperking van haar verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingediend, welke door de staatssecretaris werd afgewezen. Na bezwaar werd haar alsnog een verblijfsvergunning verleend. De vreemdeling stelde vervolgens beroep in tegen dit besluit, dat door de rechtbank niet-ontvankelijk werd verklaard wegens niet-betaling van griffierecht. De vreemdeling maakte hiertegen verzet, dat gegrond werd verklaard omdat zij mocht vertrouwen op een toezegging dat het griffierecht was voldaan.
De rechtbank verklaarde het beroep in eerste aanleg ongegrond, maar wees de vergoeding van proceskosten die de vreemdeling had gemaakt in verband met het verzet af. De vreemdeling ging hiertegen in hoger beroep bij de Raad van State. Deze oordeelde dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenveroordeling had uitgesproken ten behoeve van de vreemdeling, nu het verzet gegrond was verklaard en er geen feiten waren die een uitzondering rechtvaardigden.
De Raad van State vernietigde het deel van de uitspraak waarin de proceskostenvergoeding werd afgewezen en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht. Voor het overige werd de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van de vreemdeling.