ECLI:NL:RVS:2016:1544
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R. van der Spoel
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling in vreemdelingenbewaring onrechtmatig gesteld wegens onjuiste toepassing vertrektermijn
De vreemdeling diende op 17 maart 2015 een asielaanvraag in die op 7 februari 2016 werd afgewezen met een vertrektermijn van vier weken. De vreemdeling werd op 8 maart 2016 in vreemdelingenbewaring gesteld omdat hij de vertrektermijn zou hebben overschreden en niet over een vaste woon- of verblijfplaats en voldoende middelen van bestaan zou beschikken.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring ongegrond, maar de vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had aangenomen dat de overschrijding van de vertrektermijn aan de vreemdeling kon worden tegengeworpen, omdat de vreemdeling tijdig een verzoek om voorlopige voorziening had ingediend en de beslissing daarop in Nederland mocht afwachten.
Verder oordeelde de Afdeling dat de algemene gronden van het ontbreken van vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende middelen onvoldoende waren om de bewaring te dragen zonder een persoonsgerichte toelichting. De bewaring was daarom onrechtmatig vanaf het begin. De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en kende een vergoeding toe over de periode van bewaring. Tevens werden proceskosten aan de vreemdeling toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de bewaring onrechtmatig bevonden en een vergoeding toegekend.