ECLI:NL:RVS:2016:1407
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Veroordeling Belastingdienst tot vergoeding proceskosten hoger beroep kinderopvangtoeslag
Appellante maakte bezwaar tegen de vaststelling van haar kinderopvangtoeslag over 2009 door de Belastingdienst/Toeslagen, dat bezwaar werd ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat de Belastingdienst tegemoet was gekomen aan het bezwaar, maar kende appellante wel een schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn. Appellante verzocht ook om vergoeding van proceskosten in beroep, maar de rechtbank wees dit af.
In hoger beroep betoogde appellante dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenvergoeding had toegekend, omdat volgens het forfaitaire stelsel van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) de hoogte van de werkelijk gemaakte kosten niet relevant is en de rechtbank niet mag toetsen aan afspraken tussen cliënt en gemachtigde.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank onjuist had geoordeeld dat appellante geen kosten had gemaakt in de beroepsfase, aangezien proceshandelingen waren verricht door beroepsmatig rechtsbijstand verlenende derden die kosten in rekening brachten. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover het verzoek om proceskostenvergoeding was afgewezen en de Belastingdienst veroordeeld tot vergoeding van € 1.240,00 aan proceskosten en € 248,00 griffierecht.
Uitkomst: De Belastingdienst/Toeslagen is veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en griffierecht van appellante in hoger beroep.