ECLI:NL:RVS:2016:1382
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning wegens medische omstandigheden in asielprocedure
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris op 20 februari 2013 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze afwijzing ongegrond. De vreemdeling ging hiertegen in hoger beroep bij de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de medische situatie van de vreemdeling, die bekend was met een HIV-infectie. Het Bureau Medische Advisering (BMA) had geadviseerd dat bij uitblijven van behandeling binnen drie maanden een onomkeerbaar proces naar de dood zou volgen. De vreemdeling stelde dat uitzetting in strijd zou zijn met artikel 3 EVRM Pro vanwege het risico op ondraaglijk lijden en overlijden.
De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris het BMA-advies niet op de juiste wijze had betrokken bij zijn besluit, omdat niet was onderzocht of de ziekte direct of nagenoeg direct na uitzetting een levensbedreigend stadium zou bereiken, zoals vereist volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Hierdoor mocht het BMA-advies niet aan het besluit ten grondslag worden gelegd.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de staatssecretaris, en verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning wordt vernietigd en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.