ECLI:NL:RVS:2016:1291
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R. van der Spoel
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dwangsom wegens niet tijdig beslissen op aanvraag toepassing artikel 64 Vreemdelingenwet 2000
De vreemdeling verzocht bij brief van 8 juli 2014 de staatssecretaris om toepassing van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, waarmee zij wilde voorkomen dat haar uitzetting zou plaatsvinden. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het niet tijdig beslissen op dit verzoek ongegrond, maar de vreemdeling ging in hoger beroep.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het vereiste in artikel 6.1c van het Vreemdelingenbesluit 2000, dat een vreemdeling eerst schriftelijk moet aangeven dat hij een verzoek wil indienen, geen wettelijke grondslag heeft en in strijd is met artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hierdoor is het verzoek van de vreemdeling als een aanvraag in de zin van de Awb te beschouwen, en is de beslistermijn van acht weken na ontvangst van de aanvraag aangevangen.
De staatssecretaris heeft echter niet binnen deze termijn beslist noch een mededeling gedaan, waardoor de Afdeling het hoger beroep gegrond verklaarde en het niet tijdig nemen van een besluit vernietigde. Tevens werd een dwangsom vastgesteld van €1.260,00 voor de periode van 42 dagen dat de staatssecretaris in gebreke bleef en werd de staatssecretaris opgedragen binnen acht weken alsnog een besluit te nemen, met een aanvullende dwangsom van €100 per dag bij overschrijding van deze termijn.
Daarnaast werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €1.488,00 en het betaalde griffierecht van €167,00 aan de vreemdeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de staatssecretaris wordt opgedragen binnen acht weken te beslissen op de aanvraag, met een opgelegde dwangsom wegens het niet tijdig beslissen.