ECLI:NL:RVS:2016:1279
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing toevoeging rechtsbijstand wegens zelfstandig beroep of bedrijf
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam die het beroep tegen de afwijzing van een toevoeging voor rechtsbijstand ongegrond verklaarde. De raad had het verzoek van appellant om rechtsbijstand geweigerd op grond van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wet op de rechtsbijstand, omdat het rechtsbelang betrekking had op de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf.
Appellant voerde aan dat de rechtbank ten onrechte de afwijzing handhaafde en betoogde onder meer een beroep op het gelijkheidsbeginsel. De Afdeling overwoog dat het rechtsbelang voortkomt uit een niet langer uitgeoefend zelfstandig beroep of bedrijf, waarbij de uitzondering op de hoofdregel van artikel 12 Wrb Pro niet van toepassing is. De bedrijfsactiviteiten waren beëindigd door faillissement en het pachtgeschil ontstond daarna.
De Afdeling verwierp het beroep op het gelijkheidsbeginsel omdat eerdere toevoegingen aan de echtgenote van appellant niet verplichten tot het verlenen van een toevoeging aan appellant zelf. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De afwijzing van het verzoek om toevoeging voor rechtsbijstand wordt bevestigd omdat het rechtsbelang verband houdt met een niet langer uitgeoefend zelfstandig beroep of bedrijf.