ECLI:NL:RVS:2016:1232
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- R. van der Spoel
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Veroordeling staatssecretaris tot schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in vreemdelingenzaak
De vreemdeling, met de Turkse nationaliteit, was sinds 1985 ongewenst verklaard wegens een onherroepelijke veroordeling tot tien jaar gevangenisstraf voor medeplegen van moord. Na meerdere aanvragen tot opheffing van deze ongewenstverklaring, werd deze in 2013 gedeeltelijk opgeheven. De staatssecretaris wees eerdere verzoeken af en verklaarde bezwaren ongegrond.
De vreemdeling stelde dat de redelijke termijn in de procedure was overschreden, aangezien de totale duur van het bezwaar en de daarop volgende procedures ruim vier jaar en zeven maanden bedroeg, terwijl de redelijke termijn volgens de toen geldende maatstaven maximaal vijf jaar is, waarvan maximaal drie jaar voor bezwaar en beroep samen. De rechtbank ging niet in op deze klacht.
De Raad van State oordeelde dat de overschrijding van de redelijke termijn volledig aan de staatssecretaris toe te rekenen was en dat de rechtbank ten onrechte niet had beslist over het verzoek tot schadevergoeding op grond van artikel 8:88 van Pro de Awb. De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigde daarom dat deel van het vonnis en veroordeelde de staatssecretaris tot betaling van een vergoeding van € 2.000 aan de vreemdeling.
Daarnaast werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht. De overige onderdelen van het vonnis van de rechtbank werden bevestigd.
Uitkomst: De staatssecretaris is veroordeeld tot betaling van € 2.000 schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.