ECLI:NL:RVS:2016:12
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Beëindiging schuldhulpverlening wegens onvoldoende medewerking en nieuwe schulden
Appellant had een schuldregelingsovereenkomst gesloten en maakte gebruik van schuldhulpverlening bij de gemeente Den Haag. Het college beëindigde het traject omdat appellant niet tijdig alle gevraagde documenten aanleverde en een nieuwe schuld liet ontstaan bij een provider.
Appellant voerde aan dat hij de documenten wel probeerde in te leveren, maar dit niet werd toegestaan vanwege een toegangsverbod en dat het college onterecht geen rekening hield met aanvullende stukken die tijdens de bezwaarprocedure werden ingediend. Ook betwistte hij het ontstaan van de nieuwe schuld.
De rechtbank oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij de stukken tijdig had ingediend en dat het college terecht het traject beëindigde. De Raad van State bevestigde dit oordeel en verwierp het beroep. De hardheidsclausule werd niet toegepast omdat de schendingen van de verplichtingen zwaar wogen en de financiële gevolgen geen bijzondere omstandigheden vormden.
De uitspraak bevestigt dat het niet naleven van medewerkingsplicht en het ontstaan van nieuwe schulden gegrond zijn voor beëindiging van schuldhulpverlening, ook als appellant psychische en financiële problemen aanvoert.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de beëindiging van het schuldhulpverleningstraject wegens onvoldoende medewerking en het ontstaan van nieuwe schulden.