AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing beroep tegen bestemmingsplan Enschede Noord 2013 betreffende woonbestemming en bouwregels
De appellant, eigenaar van meerdere percelen in Enschede, stelde beroep in tegen het bestemmingsplan 'Enschede Noord 2013', vastgesteld door de gemeenteraad op 14 december 2015. Hij verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek en besloot direct in de hoofdzaak uitspraak te doen.
Het geschil betrof met name de bestemming van de percelen, waarbij appellant wilde dat wonen op deze percelen werd toegestaan door een bouwvlak toe te kennen. Daarnaast stelde hij dat garages ten onrechte niet waren ingetekend en dat hij hoger wilde bouwen dan toegestaan. De raad handhaafde het conserverende uitgangspunt van het bestemmingsplan, waarbij wonen op de betreffende percelen niet was toegestaan en bouwhoogtes werden beperkt.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het beroep ongegrond is. De niet-intekening van vergunningvrije garages geeft geen rechten, het toestaan van wonen op de percelen is niet in strijd met het plan en het verzoek om hogere bouwhoogte faalt omdat de situaties niet vergelijkbaar zijn. Ook het verzoek om een bedrijf van categorie 2 toe te staan werd afgewezen. Het verzoek om voorlopige voorziening werd eveneens afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het bestemmingsplan Enschede Noord 2013 wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitspraak
201601320/1/R1 en 201601320/2/R1.
Datum uitspraak: 20 april 2016
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 vanPro die wet, op het beroep, in het geding tussen:
[appellant], wonend te Enschede,
en
de raad van de gemeente Enschede,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 14 december 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Enschede Noord 2013" vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
Bij deze brief heeft [appellant] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 29 maart 2016, waar [appellant] en de raad, vertegenwoordigd door W. Burger, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
Overwegingen
1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
Toetsingskader
2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.
Geschil
3. [appellant] is eigenaar van een aantal percelen in het gebied tussen de Dinkelstraat, de Voortsweg, de Potsweg en de S.N. Menkostraat. Zijn beroep en verzoek zien op de percelen [locatie 1], [locatie 2], en [locatie 3]. Deze percelen zijn deels bebouwd en liggen achter de woningen aan deze straten. [appellant] wenst met name dat het plan toestaat dat op deze percelen gewoond mag worden.
Beroepsgronden
4. [appellant] betoogt dat de garages op de percelen [locatie 2] ten onrechte niet zijn ingetekend.
Niet in geschil is dat deze garages vergunningvrij zijn. Ter zitting heeft [appellant] toegelicht dat hij wenst dat de ligging van de garages wordt opgenomen op de kadastrale ondergrond. De voorzieningenrechter overweegt dat de kadastrale ondergrond van een verbeelding geen bindend onderdeel is. Aan het niet intekenen van de garages kunnen dan ook geen rechten ontleend worden in het kader van het bestemmingsplan.
Het betoog faalt.
5. [appellant] wenst dat aan de percelen [locatie 1] en [locatie 3] een bouwvlak wordt toegekend, zodat aldaar gewoond kan worden. Hij wijst erop dat elders in Enschede ook op de binnenterreinen gewoond wordt, bijvoorbeeld aan de S.N. Menkostraat.
5.1. Aan de percelen is de bestemming "Wonen" toegekend, maar geen bouwvlak. Wel is aan de percelen de aanduiding "bedrijf" toegekend.
Ingevolge artikel 20, lid 20.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor wonen.
Ingevolge lid 20.5, onder b, sub 4, wordt onder strijdig gebruik in ieder geval gerekend het gebruik van vrijstaande gebouwen met een functieaanduiding buiten het bouwvlak voor iedere vorm van bewoning.
5.2. In het voorheen geldende bestemmingsplan "Enschede Noord 2006" was aan de percelen [locatie 1] en [locatie 3] de bestemming "Wonen" toegekend, zonder bouwvlak.
Ingevolge artikel 15, lid 13, van de voorschriften van dat bestemmingsplan wordt onder strijdig gebruik in ieder geval verstaan - voor zover het bijgebouwen of complexen van garageboxen betreft en overige vrijstaande (bedrijfs)gebouwen, voor zover gelegen achter een op de plankaart gelegen bouwvlak - een gebruik voor iedere vorm van permanente of tijdelijke bewoning.
5.3. De raad hanteert voor het bestemmingsplan als uitgangspunt dat de bestaande situatie conserverend wordt bestemd. Ook in het voorheen geldende bestemmingsplan was wonen aldaar niet toegestaan. Het toekennen van een bouwvlak aan de percelen van [appellant] is in strijd met dit door de raad gehanteerde uitgangspunt. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de raad dit uitgangspunt redelijkerwijs niet heeft kunnen toepassen. De omstandigheid dat op het perceel [locatie 1] al twee jaar lang gewoond wordt is hiervoor onvoldoende, omdat ook het voorheen geldende bestemmingsplan "Enschede Noord 2006" wonen aldaar niet toestond. Ook de verwijzing naar de situatie aan de S.N. Menkostraat maakt dit niet anders, omdat het toestaan van wonen aldaar vele jaren eerder planologisch is toegestaan en de raad inmiddels een ander uitgangspunt hanteert.
Het betoog faalt.
6. [appellant] betoogt voorts dat hem ten onrechte niet wordt toegestaan hoger te bouwen dan 3,6 m, terwijl op het perceel [locatie 4] tot 8 m hoog mag worden gebouwd.
6.1. Ingevolge artikel 20, lid 20.2.9 mag bestaande bebouwing die afwijkt van het bepaalde in lid 20.2.1 tot en met 20.2.8 worden gehandhaafd en/of vernieuwd.
6.2. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de situatie op het perceel [locatie 4] verschilt van de situatie op de percelen van [appellant] omdat het gebouw ter plaatse die hoogte al had en slechts verbouwd is. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van gelijke gevallen.
Het beroep op [locatie 4] faalt.
7. Voor zover [appellant] betoogt dat op het perceel [locatie 1] ten onrechte geen bedrijf van categorie 2 is toegestaan, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
Ingevolge artikel 20, lid 20.1, onder c, van de planregels is ter plaatse van de aanduiding "bedrijf" een bedrijf toegestaan dat is genoemd in de categorieën 1 en 2 uit de hoofdgroep Bedrijven van de bij de planregels behorende Lijst van Bedrijfstypen, met uitzondering van risicovolle inrichtingen, garagebedrijven, geluidzoneringsplichtige inrichtingen en vuurwerkbedrijven.
De voorzieningenrechter overweegt dat gelet op deze planregeling op het perceel [locatie 1] een bedrijf van categorie 2 van de Lijst van Bedrijfstypen is toegestaan, mits het niet om risicovolle inrichtingen, garagebedrijven, geluidzoneringsplichtige inrichtingen en vuurwerkbedrijven gaat. Het betoog van [appellant] mist dan ook feitelijke grondslag.
8. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Tevens ziet de voorzieningenrechter in het voorgaande aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep ongegrond;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. Y. Verhage, griffier.