ECLI:NL:RVS:2016:112
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging betalingsregeling uitstel betaling kinderopvangtoeslag
Appellante had een bedrag aan teveel betaalde kinderopvangtoeslag over 2008 en 2009 aan de Belastingdienst/Toeslagen terug te betalen en verzocht om uitstel van betaling. De Belastingdienst verleende dit uitstel en stelde een betalingsregeling vast van 24 maandelijkse termijnen van € 995,00, later verlaagd naar € 603,00 na bezwaar van appellante.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat de Belastingdienst de betalingscapaciteit juist had vastgesteld volgens de geldende regelgeving. Appellante voerde aan dat haar werkelijke kosten, zoals zorgkosten, huur, hypotheek en energielasten, niet voldoende waren meegenomen, waardoor haar gezin financieel in de knel kwam.
De Raad van State overwoog dat de Belastingdienst alleen uitgaven mag meenemen die zijn opgenomen in artikel 15 van Pro de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990. Uitgaven buiten deze regeling kunnen niet worden meegenomen bij de berekening van de betalingscapaciteit. Ook het feit dat de echtgenoot van appellante minder verdient dan ten tijde van het besluit, is niet relevant voor het hoger beroep. De Belastingdienst gaf aan bereid te zijn een nieuwe regeling te treffen indien appellante daarom verzoekt.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.