ECLI:NL:RVS:2016:11
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering verklaring van geen bezwaar wegens oneerlijk gedrag bij niet-aangifte contant geld
De minister heeft op 17 december 2013 geweigerd een verklaring van geen bezwaar (vgb) af te geven aan appellant, omdat uit Justitiële Documentatie bleek dat appellant verdachte was geweest van opzettelijk witwassen. Appellant had op 31 januari 2007 € 325.000,00 contant ingevoerd bij binnenkomst op Schiphol zonder aangifte te doen. De strafzaak werd beëindigd door een overeenkomst waarbij appellant afstand deed van het bedrag.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant tegen de weigering ongegrond en oordeelde dat het niet melden van het grote bedrag oneerlijk gedrag is in de zin van artikel 7, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wet veiligheidsonderzoeken. Appellant voerde aan dat de rechtbank haar uitspraak onvoldoende had gemotiveerd en dat een bepaalde passage in het besluit van de minister ten onrechte was opgenomen.
De Afdeling bestuursrechtspraak volgt de rechtbank en oordeelt dat appellant onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij het niet eens is met het oordeel. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de verklaring van geen bezwaar wordt bevestigd.