ECLI:NL:RVS:2016:1098

Raad van State

Datum uitspraak
26 april 2016
Publicatiedatum
26 april 2016
Zaaknummer
201507788/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N.S.J. Koeman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Wob
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing Wob-verzoek inzake financiële misstanden en integriteit FIOD

De appellant verzocht op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) om informatie over een aangifte uit 2009 betreffende internationale financiële strafbare feiten en vermeende integriteitsschendingen bij de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD). De staatssecretaris wees dit verzoek op 12 augustus 2014 af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank bevestigde dit oordeel op 9 september 2015, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State.

Appellant wilde met zijn Wob-verzoek onder meer toegang krijgen tot documenten die betrekking hebben op zijn aangifte en de daaropvolgende contacten met medewerkers van de FIOD. Tevens vroeg hij om onderzoek naar de financiële misstanden, vernietiging van belastingaanslagen, plichtsverzuimprocedures tegen betrokkenen, een onafhankelijk boekenonderzoek en een budget voor een 'follow the money traject'.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het afdwingen van onderzoek of het opleggen van dergelijke maatregelen niet binnen het bereik van de Wob valt. De wet biedt geen wettelijke grondslag om een bestuursorgaan te verplichten tot het verrichten van onderzoek of het nemen van handhavingsmaatregelen. Daarom was er geen reden om het besluit van de staatssecretaris te vernietigen.

Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Hiermee blijft het besluit van de staatssecretaris van Financiën in stand om het Wob-verzoek af te wijzen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het Wob-verzoek bevestigd.

Uitspraak

201507788/1/A3.
Datum uitspraak: 26 april 2016
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 september 2015 in zaak nr. 15/114 in het geding tussen:
[appellant]
en
de staatssecretaris van Financiën.
Procesverloop
Bij besluit van 12 augustus 2014 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellant] om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) afgewezen.
Bij besluit van 9 december 2014 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 9 september 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 april 2016, waar [appellant] en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. J. de Groot, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Het verzoek om informatie waarop het besluit van 12 augustus 2014 een reactie is, houdt aldus [appellant] verband met een aangifte die hij heeft gedaan in februari 2009 over in internationaal verband gepleegde financiële strafbare feiten, waarover hij sinds die tijd regelmatig contact heeft gehad met twee medewerkers van de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst in Amsterdam. [appellant] wil onder meer een door hem tijdens die contacten ondervonden ernstige schending van integriteit bij die dienst aan de kaak stellen en heeft daarom doorgeprocedeerd over zijn verzoek op grond van de Wob om zodoende toegang tot een rechter te krijgen over deze kwestie.
2. [appellant] vraagt in hoger beroep nader onderzoek naar aanleiding van zijn met vele documenten onderbouwde aangifte uit 2009 naar bovengenoemde financiële misstanden. De naheffing van € 89.000,00 die volgens hem inmiddels is opgelegd vindt hij niet in verhouding met het bedrag waar het over gaat en dat in de miljoenen loopt. Hij vraagt daarom om vernietiging van bepaalde belastingaanslagen, het opstarten van een plichtsverzuimprocedure tegen vier personen, het opstarten van een onafhankelijk boekenonderzoek bij een BV alsmede om het Ministerie van Financiën te verplichten een budget beschikbaar te stellen om een 'follow the money traject' te kunnen starten.
Hij voert aan dat hij deze verzoeken al eerder in de procedure heeft gedaan maar dat de rechtbank daar ten onrechte niet op is ingegaan. Omdat ook het Openbaar Ministerie niets heeft gedaan met zijn aangifte en hij eveneens tevergeefs een beroep heeft gedaan op de Nationale Ombudsman, de Rijksrecherche en de Klokkenluidersregeling heeft hij zich tot de onafhankelijke bestuursrechter gewend.
3. De procedure die [appellant] bij de bestuursrechter heeft aangespannen vindt zijn basis in de Wob. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van deze wet kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan. Het afdwingen van onderzoek naar aanleiding van zijn aangifte uit 2009 naar financiële misstanden zoals nader uitgewerkt in de vier vragen die hiervoor onder 2. zijn weergegeven, valt buiten het bereik van de Wob. Reeds daarom ontbreekt het de Afdeling evenals de rechtbank aan wettelijke mogelijkheden om een onderzoek, zoals door [appellant] gewenst, te gelasten.
Het betoog faalt.
4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.D.A.M. Zegveld, griffier.
w.g. Koeman w.g. Zegveld
lid van de enkelvoudige kamer griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 april 2016
43.