ECLI:NL:RVS:2016:1021

Raad van State

Datum uitspraak
6 april 2016
Publicatiedatum
13 april 2016
Zaaknummer
201508846/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Lubberdink
  • H. Troostwijk
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:115 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing van afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens zwaar inreisverbod

De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie wees op 12 november 2015 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep niet-ontvankelijk verklaarde omdat tegen hem een zwaar inreisverbod was uitgevaardigd.

De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Hij stelde dat de rechtbank ten onrechte niet had onderkend dat zijn asielaanvraag mede moest worden beschouwd als een verzoek tot opheffing van het zware inreisverbod, en dat het beroep daarom inhoudelijk had moeten worden behandeld.

De Afdeling oordeelde dat een asielaanvraag van een vreemdeling met een lopend zwaar inreisverbod inderdaad mede moet worden gezien als een verzoek tot opheffing van dat verbod. Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag moet daarom ook worden beschouwd als een beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot opheffing van het inreisverbod.

De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en wees de zaak terug voor inhoudelijke behandeling met inachtneming van deze overwegingen. Tevens stelde zij de proceskosten in hoger beroep vast en bepaalde dat de rechtbank hierover beslist.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen voor inhoudelijke behandeling.

Uitspraak

201508846/1/V2.
Datum uitspraak: 6 april 2016
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg (hierna: de rechtbank), van 30 november 2015 in zaken nrs. 15/20018 en 15/20019 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.
Procesverloop
Bij besluit van 12 november 2015 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 30 november 2015 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. R.E. Temmen, advocaat te Bergen op Zoom, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. In de eerste grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 9 juli 2013 in zaken nrs. 201204559/1/V1 en 201207753/1/V1 heeft overwogen dat hij, nu tegen hem bij besluit van 22 mei 2014 een zwaar inreisverbod is uitgevaardigd, geen belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Volgens de vreemdeling heeft de rechtbank niet onderkend dat zij zijn asielaanvraag mede had moeten aanmerken als een verzoek om opheffing van het zware inreisverbod, en dat zij het door hem ingestelde beroep had moeten behandelen als ware het mede gericht tegen de afwijzing van dat verzoek. Daarbij had de vraag of hij voldoet aan de vereisten voor vergunningverlening aan de orde moeten komen. De rechtbank heeft daarom ten onrechte volstaan met het niet-ontvankelijk verklaren van het door hem ingestelde beroep, aldus de vreemdeling.
1.1. In de uitspraak van 29 mei 2015 in zaak nr. 201409477/1/V2 heeft de Afdeling overwogen dat een asielaanvraag van een vreemdeling tegen wie eerder een zwaar inreisverbod is uitgevaardigd dat ten tijde van die aanvraag voortduurt, mede moet worden aangemerkt als een verzoek om opheffing van dat inreisverbod, dan wel als een aanvulling van een reeds ingediend verzoek daartoe. Vervolgens moet een beroep dat zich richt tegen de afwijzing van de asielaanvraag geacht mede te zijn gericht tegen de afwijzing van het verzoek om opheffing van het zware inreisverbod. Bij de toetsing van deze laatste afwijzing kan ten volle aan de orde worden gesteld of een vreemdeling voldoet aan de vereisten voor vergunningverlening.
Uit de overwegingen van deze uitspraak volgt dat de vreemdeling terecht klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft volstaan met het niet-ontvankelijk verklaren van het door hem ingestelde beroep.
De grief slaagt.
2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. Hetgeen de vreemdeling overigens heeft aangevoerd behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak met toepassing van artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.
3. De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank dient omtrent de vergoeding van deze kosten te beslissen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 30 november 2015 in zaak nr. 15/20018;
III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;
IV. stelt de door de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 496,00 (zegge: vierhonderdzesennegentig euro), en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.R. Fernandez, griffier.
w.g. Lubberdink w.g. Fernandez
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 april 2016
753.