ECLI:NL:RVS:2015:968
Raad van State
- Hoger beroep
- C.J. Borman
- A.B.M. Hent
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking toestemming beveiligingswerkzaamheden wegens twijfel aan betrouwbaarheid
De korpschef heeft op 13 mei 2013 de toestemming voor appellant om beveiligingswerkzaamheden te verrichten ingetrokken vanwege een proces-verbaal over een op 31 maart 2013 gepleegde zware mishandeling tijdens zijn werk als portier. De korpschef vond dat appellant disproportioneel geweld gebruikte en daarmee de belangen van de veiligheidszorg en de goede naam van de branche schaadde. Eerdere meldingen van mishandeling uit 2010 en 2012 versterkten dit beeld.
Appellant voerde aan dat hij niet strafrechtelijk veroordeeld was en dat het geweld een reactie was op agressie van bezoekers. Ook stelde hij dat de strafrechtelijke procedure nog liep en dat de intrekking neerkwam op een onevenredig beroepsverbod. De rechtbank oordeelde echter dat de korpschef de intrekking in redelijkheid kon baseren op de bekende feiten en dat de hoge eisen aan beveiligers een dergelijke maatregel rechtvaardigen.
De Raad van State bevestigde dit oordeel en benadrukte dat de toestemming niet alleen onthouden wordt bij een veroordeling, maar ook bij relevante feiten die twijfel aan betrouwbaarheid rechtvaardigen. Het bestuursrechtelijke instrument van intrekking dient een preventief doel en is geen straf. Het financiële belang van appellant woog niet zwaarder dan het belang van betrouwbare beveiligingsmedewerkers.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de toestemming voor appellant om beveiligingswerkzaamheden te verrichten wordt bevestigd.