ECLI:NL:RVS:2015:804
Raad van State
- Hoger beroep
- C.J. Borman
- E. Helder
- R. Uylenburg
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit omgevingsvergunning wegens strijd met artikel 3:2 Awb inzake geuremissie voorschriften
Bij besluit van 28 april 2011 verleende het college een omgevingsvergunning aan een besloten vennootschap voor de productie van diervoeding. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 6 oktober 2011 ongegrond werd verklaard. De rechtbank bevestigde dit in 2012, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling stelde in een tussenuitspraak vast dat het college ten onrechte niet had onderzocht of aan de vergunning voorschriften moesten worden verbonden om milieugevolgen te beperken. Het college heeft daarop bij besluit van 3 april 2014 alsnog voorschriften gesteld, onder meer over maximale geuremissie en technische eisen aan de luchtwasser.
Appellant voerde aan dat de voorschriften ontoereikend waren en onvoldoende waarborg boden voor geurreductie en handhaving. De Afdeling oordeelde dat het college zich terecht baseerde op het geurrapport van Schoonderbeek en Partners, dat een maximale geuremissie van 200 MouE per uur als haalbaar en handhaafbaar beschouwde. Het college had niet onredelijk gehandeld door geen afzonderlijke emissiegrenzen per emissiepunt te stellen en geen voorschriften over emissiehoogte en -temperatuur op te nemen.
Het beroep van appellant tegen het besluit van 3 april 2014 werd ongegrond verklaard, evenals het beroep van de vergunninghouder. Het beroep tegen het besluit van 6 oktober 2011 werd gegrond verklaard en dit besluit vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan appellant.
Uitkomst: Het besluit van 6 oktober 2011 wordt vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 Awb; het besluit van 3 april 2014 wordt bevestigd.